Terug van eventjes weggeweest zijn alle condities terug optimaal om weer wat leven in onze blog te blazen. Ik zal de inleiding kort houden en gewoon verdergaan waar we gestopt zijn – een betere definitie van reizen kan ik overigens niet bedenken.
KUNMING – CHENGDU
KUNMING
Na onze avonturen in de rijstterassen komen we aan in de hoofdstad van de provincie Yunnan. Jammer genoeg kunnen we van de stad zelf geen foto’s tonen, omdat ze samen met mijn camera verloren zijn gegaan in het incident in de bus. Dat is jammer want Kunming is een typische moderne Chinese stad: Mooie hotels, hoge wolkenkrabbers, winkelcentra met de bijhorende McDonalds en KFC’s, een groot en groen park met vijvers en Chinese paviljoenen en een Cultuurhal voor de arbeiders, waar de mensen ‘s avonds samenkomen om samen te dansen of te badmintonnen. Een stad dus met een leuke atmosfeer.
Vanuit Kunming kun je een daguitstap maken naar het “Stenen Woud”. Onze Lonely Planet (de reisgids) leert ons dat we hiervoor best de bus kunnen nemen. De tickets worden verkocht net buiten het treinstation en ik ben kandidaat om ze te gaan kopen voor de volgende dag. De receptioniste van het hotel schrijft iets in Chinese tekens op een papiertje dat ik aan de taxichauffeur kan tonen zodat hij mij naar het treinstation brengt. Daar aangekomen wordt het moeilijk, want in de straat voor het treinstation zijn er niet minder dan drie busstations. Ik vind een loket waar ze tickets verkopen voor Shilin, de plaats waar het stenen woud zich bevindt, en koop de tickets. Ik zoek nog even naar de plek waar de bussen vertrekken en keer met een voldaan en goed gevoel terug naar het hotel. Missie vlot geslaagd – dacht ik. Toen we de tickets van naderbij bekeken was toch niet alles duidelijk en we nemen onze vertaalgids erbij om enkele tekens te vergelijken. Al snel wordt alles duidelijk en liggen we in een deuk: Ik ben er in geslaagd om treintickets te kopen in plaats van bustickets zonder het te beseffen. Zoiets kan enkel in China… althans dat hoop ik, want anders is er toch iets grondig fout.
Wegens gebrek aan tijd zijn we er toen niet toe gekomen om het “Stenen Woud” te bezoeken, maar later zijn we naar Kunming teruggekeerd om een belangrijke brief te versturen. Veiligheidshalve hebben we toen maar een dagtrip naar Shilin geboekt in ons hotel. De fotos van deze uitstap zijn bewaard op het fototoestel van Cecile en kunnen we dus gelukkig nog tonen.





DALI
Vanuit Kunming reizen we verder noordwaarts, in de richting van de provincie Sichuan. Dali is onze eerste stop op deze route. En ook hier zullen we tweemaal halt houden, ditmaal omdat het gerucht de ronde doet dat het Public Security Bureau (PSB) gemakkelijker visaverlengingen toestaat dan de omliggende steden.
Dali staat bekend als een paradijs voor rugzaktoeristen en dat merken we vooral aan de vele cafes en restaurants die Belgische bieren, Franse kazen en Italiaanse pastas en pizzas serveren. Dit alles in een typisch Chinees decor (traditionele huisjes, een kabbelend beekje dat door de straten loopt, overal lichtjes en rode lantaarntjes, de heuvels rond de stad,…). Wat ons het meest heeft verbaasd zijn de oude vrouwtjes in traditionele klederdracht die met een kwajongensblik in de ogen de toeristen aanspreken met de woorden “smoke ganja?”. De politiemannen enkele meters verder knijpen een oogje toe voor deze op het eerste zicht onschuldige besjes.
Ook van Dali zijn de meeste foto’s verdwenen. Gelukkig hebben we bij onze tweede stop de schade wat kunnen beperken. Hier enkele straatbeelden, een kerk, een paviljoen en de schoolgaande jeugd in uniform,…





LIJIANG
We reizen verder naar het noorden en arriveren in Lijiang. De sfeer is bedrukt, want het is bij aankomst hier dat we merken bestolen te zijn. Ik heb enkele dagen nodig om van de schok te bekomen. Het begint beter te gaan na een namiddag te hebben doorgebracht op het lokale politiekantoor tussen een hoop heel vriendelijke, kettingrokende en instant-noedels etende politieagenten. Ik zondig even mee en verlaat het politiekantoor met hun excuses voor het gedrag van hun landgenoot en de belofte dat ze me zullen contacteren als ze onze spulletjes terugvinden, iets waar ik niet al te veel op hoop.
Lijiang bestaat uit een oude en een nieuwe stad. De oude stad is een verkeersvrij doolhof van kleine pittoreske straatjes, zo ingericht dat de toeristen er zich thuis voelen: overal hotels en gastenverblijven, souvenirwinkeltjes, restaurants met terrasjes langs de waterkant en internationale menus, minipaardjes waarmee je door de stad kan rijden met een berenmuts op het hoofd, bruggetjes, rivieren vol met goudvissen, een waterrad,… Kortom een disneyland en vooral een trekpleister voor Chinese toeristen. De straten lopen vol met uitgelaten, lawaaierige Chinezen en zo hebben ze het hier graag. Ook wij hebben ons heel goed geamuseerd in deze een beetje kunstmatige, maar heel mooie stad.




Vanuit ons hotel hebben we een mooi zicht op de oude stad.

De Drakenvijver in het park met de indrukwekkende Sneeuwberg op de achtergrond:

Lijiang ligt in de schaduw van de meer dan 5000 meter hoge Sneeuwberg met gletsjer. De toeristische autoriteiten hebben deze kanjer bedwongen en hem voorzien van een kabelbaan die je tot op een hoogte van 4500 meter brengt, waarna je met trapjes nog tot 4680 meter kunt stijgen. Tijdens de busrit naar de voet van de berg maak ik me een beetje zorgen als de bus stopt aan een winkel en de Chinezen rondom ons dikke jassen huren en zuurstofflessen kopen. Ook wij huren winterjassen en tot groot plezier van Cecile koop ik 2 flesjes zuurstof – volgens haar is dit overbodig. Dat dit meer een gadget is dan pure noodzaak blijkt al spoedig, want nog voor we de kabellift naar boven nemen, slurpen de Chinezen al gulzig van hun zuurstof. Ik vind het hele gebeuren wel komisch en eens boven op de berg haal ook ik mijn flesjes boven. De Chinese mannen hebben echter ook nog andere eigenaardigheden (die ik niet heb gekopieerd): eenmaal de top bereikt zijn ze zo fier als een gieter en ontbloten hun borst om te poseren voor de foto. Eigenlijk waren die rode winterjassen ook maar een gadget, maar ze staan ons wel goed.
De kabellift:

De bergtoppen, het ijs van de gletsjer en de Tibetaanse gebedsvlaggen:

Cecile op grote hoogte:

Kris in zuurstofnood:

De Chinezen poseren:

Zicht vanop de Sneeuwberg (we zien oa. de trapjes omhoog en een goed verzorgd golfterrein):

SHANGRI-LA
In Lijiang hebben we gemerkt dat de Chinezen heel goed weten hoe ze een stad kunnen omtoveren in een Mekka voor toeristen en dit wordt nogmaals bewezen in Shangri-La, onze laatste stop voor de provincie Sichuan op 3300 meters hoogte en vlakbij de grens met de provincie Tibet. De oorspronkelijke naam van deze stad is Zhongdian, maar om de toeristen te lokken hebben de autoriteiten bewust gekozen voor de naam van de paradijselijke plaats in de bergen die werd beschreven in het boek “Lost Horizon” van James Hilton (Ik baseer mij hier op de kennis van Cecile, want zij heeft het boek daadwerkelijk gelezen – zij het lang geleden).
Naast de naamsverandering is men op dit ogenblik volop bezig om typische Tibetaanse woningen te bouwen die, eens afgewerkt, de oude (!) stad zullen vormen. Onafgewerkt ziet het er toch al veelbelovend uit. Het centrale plein en de straten errond zijn aangenaam om rond te wandelen: er is een tempel met bijhorend reuzegebedswiel, een stupa, er zijn souvenirwinkeltjes die spulletjes verkopen vervaardigd uit yakhoorns en yakhuid, muurschilderingen die passages uit boedhistische teksten uitbeelden, gebedsvlaggetjes, enz…. alles zo Tibetaans mogelijk. Het klinkt wat raar, maar de Tibetaanse cultuur is niet enkel populair bij de Westerlingen. Ook de Chinezen proeven graag van de culinaire specialiteiten en participeren in de rondedansen die elke avond worden gehouden op het belangrijkste pleintje van de oude stad.
Ziehier enkele foto’s:





DAOCHENG – LITANG – KANDING
Om vanuit Shangri-La naar Chengdu, de hoofdstad van de provincie Sichuan, te reizen zijn er 2 mogelijkheden: De eerste is terugkeren met de bus naar Kunming en daar de trein nemen naar Chengdu (een reis van ongeveer drie dagen), de tweede mogelijkheid is om vier bussen te nemen verder de Himalaya in en om zo, over slechte wegen maar met mooie panoramas, via Daocheng, Litang en Kanding Chengdu te bereiken (een reis van vier dagen doorheen wat men noemt “Groot Tibet” omdat de meerderheid van de inwoners en de overheersende cultuur Tibetaans zijn – deze weg is ook niet altijd open omdat het een politiek gevoelige zone is). We kiezen voor de tweede optie en beleven de vier moeilijkste dagen van de voorbije zes maanden.
De bus van Shangri-La naar Daocheng vertrekt om 7 uur ’s morgens. Volgeladen met chips en koekjes stappen we op de bus (een Chinees rammekekarreke). We hebben geen geluk en de plaatsen die ons worden toegewezen bevinden zich op de achterste rij waar we, benepen links en rechts en met knieen drukkend tegen de zetels voor ons, een busrit van 12 uur voor de boeg hebben over wegen die nog niet helemaal aangelegd zijn. Rechts van Cecile is er een raampje en links van mij een “naar boterthee ruikende” – een uitdrukking van de Lonely Planet – en tabak snuivende Tibetaan die af en toe vriendelijk is, maar die zich af en toe ook van zijn vuilste kantje laat zien als hij zijn bruin gevlekte zakdoek overal laat rondslingeren. We houden vol en komen aan in Daocheng rond 7 uur ’s avonds. We checken in in een vuil hotel, waar we de badkamer enkel durven te betreden om naar het toilet te gaan – geen douche dus waar we zo naar verlangden. Ons avondeten bestaat, net als de politie in Lijiang, uit een potje instant noedels. Gelukkig hoeven we niet te lang in dit hotel te blijven, want om 05.30 uur ’s anderendaags vertrekt de bus naar Litang.
Hoewel er nog plaatsen vrij zijn, worden we weer achterin de bus gestoken, gelukkig is het ditmaal slechts voor een ritje van drie uur en gelet op de snelheid waarmee de chauffeur door de bochten swingt zal het gegarandeerd minder lang zijn. We moeten enkel hopen dat we onze bestemming heelhuids bereiken. Na anderhalf uur nemen we toch de betere plaatsen en gunnen we onze blauwgedrukte knieen een beetje rust. Eindelijk kunnen we wat genieten van het voorbijflitsende berglandschap. We komen vrij vroeg aan in Litang, een stad in Tibetaanse stijl op 4000 m hoogte. Net als het water in ons guesthouse is het er niet echt warm. We behelpen ons met de waterkoker om onze instant noedelsoep klaar te maken en om ons te wassen… maar weer geen douche (wat mis ik dit toch snel). Veel valt er niet te beleven in deze stad, waar het Chinese leger alomtegenwoordig is en zich nuttig bezig houdt met het kuisen van de straatstenen.
De volgende ochtend om 6 uur vertrekt de bus naar Kanding. Ik had de tickets de dag voordien geboekt in ons guesthouse en had uitdrukkelijk gevraagd om geen plaatsen achteraan te nemen. Ditmaal konden we vooraan in de bus plaats nemen, alleen… niet naast elkaar. Een beetje vreemd, maar goed, we zijn er toch in geslaagd om ergens een plaats voor ons twee te bemachtigen, zij het met angst dat iemand naar ons toe zou komen om zijn of haar plaats(en) op te eisen. En toen begon het: een busrit van 10 uur waarbij we regelmatig 20 cm uit onze stoel wippen. Telkens als we dachten: “nu hebben we het ergste wel gehad”, werd het nog slechter. We bereiken uiteindelijk Kanding in de late namiddag. Het lijkt een aangename stad te zijn aan de oevers van een wilde rivier en aan de voet van een besneeuwde berg, maar we zijn te moe en geradbraakt om nog even op verkenning te gaan. Het hotel bij het busstation is beter dan wat we de voorbije dagen gewoon zijn geweest. We zullen nogmaals chips, koekjes en instant noedelsoep eten, maar het ziet er naar uit dat we ditmaal toch een douche zullen kunnen nemen. Iets te enthousiast echter draai ik aan de douchekop en hop ik sta ermee in mijn handen… afgebroken. Ik ga naar de receptie en toon de kapotte douchekop. Het kost me 30 Yuan (ongeveer 3 €), maar we mogen verhuizen naar een andere kamer en dus sta ik even later eindelijk toch onder de douche. Het ergste lijkt voorbij.
De volgende dag nemen we een deluxe bus naar Chengdu, rond 10 uur zodat we een beetje kunnen uitslapen. Weer zijn onze plaatsen niet naast elkaar, maar de bus is niet helemaal vol en dus laten ze ons maar doen. Tijdens een stop onderweg parkeert er zich een wagen zonder nummerplaat net voor de bus. Een man in militair uniform doet teken naar me en toont een verrekijker in donkergroene legerkleur met oranje reflecterende glazen. Ik ben niet geinteresseerd, maar de mannen in uniform kunnen toch rekenen op heel wat belangstelling van de mensen op onze bus, want het blijkt geen gewone verrekijker te zijn. Als je de achterkant van de verrekijker met enkele vingers bedekt kan je blijkbaar nog steeds alles zien. Heel verwonderlijk en de uitdrukking op de gezichten van de Chinezen die een voor een door de verrekijker kijken, spreekt boekdelen. Het nut ervan is betwistbaar, want je kunt evengoed een gewone verrekijker nemen en vermijden dat je je vingers voor de glazen houdt. Toch zijn er enkele medereizigers die zich er een aanschaffen (de prijs was ergens tussen de 30 en de 50 €). Ik vraag me af of de verkopers echte militairen zijn en zo ja welke som de Chinese minister van defensie heeft ontvangen om het leger uit te rusten met deze gesofisticeerde verrekijkers? De busreis verloopt verder gladjes en voorspoedig, tot we rond 15.30 uur terechtkomen in een hele grote file. De weg is geblokkeerd tot 17.00 uur. Omwille van wegenwerken die het gevolg zijn van de zware aardbeving die hier in 2008 plaats had, kan het verkeer slechts in een richting rijden. Uiteindelijk bereiken we onze eindbestemming Chengdu rond 20.00 uur ‘s avonds. We zijn uitermate moe, opgelucht en tevreden.
Enkele foto’s van onderweg:



Enkele foto’s van Litang:



CHENGDU
De eerste dagen in Chengdu trachten we de schade in te halen van de voorbije dagen: douchen, lekker eten en vliegtuigtickets kopen in de plaats van bustickets. Maar we kunnen Chengdu, de hoofdstad van de provincie Sichuan, die bekend staat als de thuishaven van de panda’s, niet verlaten zonder aan deze schattige ex-vleeseters een bezoek te brengen. Er werd ons aangeraden om vroeg in de ochtend te gaan, omdat de panda’s dan het actiefste zijn. Rond een uur of negen worden ze gevoed met bamboe, eten zich dik en vallen vervolgens uitgeteld in slaap. Het “Giant Panda Breeding Center” geeft ook een thuis aan de Rode Panda’s. Deze kleine rosse beren trekken helemaal niet op hun zwart-witte verwanten, maar zijn wel even schattig. Voor 100 € kan men een jonge panda even in de armen nemen en een foto trekken., maar deze eer laten we aan ons voorbijgaan.






Zoals Cecile het al heeft verteld in het vorige artikel, hebben we na zes weken een beetje genoeg van China. Het is een land waar we heel graag nog zouden terugkeren, maar we voelen dat nu de tijd gekomen is voor iets anders: we nemen het vliegtuig terug naar Singapore… Maar hierover later meer.
Vele groetjes vanwege Kris en Cecile.
















































































































































































