WE ZIJN WEER VERTROKKEN

Posté dans Chine / China avec des tags , le août 16, 2009 par Kris

Terug van eventjes weggeweest zijn alle condities terug optimaal om weer wat leven in onze blog te blazen. Ik zal de inleiding kort houden en gewoon verdergaan waar we gestopt zijn – een betere definitie van reizen kan ik overigens niet bedenken.

KUNMING – CHENGDU

KUNMING

Na onze avonturen in de rijstterassen komen we aan in de hoofdstad van de provincie Yunnan.   Jammer genoeg kunnen we van de stad zelf geen foto’s tonen, omdat ze samen met mijn camera verloren zijn gegaan in het incident in de bus. Dat is jammer want Kunming is een typische moderne Chinese stad: Mooie hotels, hoge wolkenkrabbers, winkelcentra met de bijhorende McDonalds en KFC’s, een groot en groen park met vijvers en Chinese paviljoenen en een Cultuurhal voor de arbeiders, waar de mensen ‘s avonds samenkomen om samen te dansen of te badmintonnen. Een stad dus met een leuke atmosfeer.

Vanuit Kunming kun je een daguitstap maken naar het “Stenen Woud”. Onze Lonely Planet (de reisgids) leert ons dat we hiervoor best de bus kunnen nemen. De tickets worden verkocht net buiten het treinstation en ik ben kandidaat om ze te gaan kopen voor de volgende dag. De receptioniste van het hotel schrijft iets in Chinese tekens op een papiertje dat ik aan de taxichauffeur kan tonen zodat hij mij naar het treinstation brengt. Daar aangekomen wordt het moeilijk, want in de straat voor het treinstation zijn er niet minder dan drie busstations. Ik vind een loket waar ze tickets verkopen voor Shilin, de plaats waar het stenen woud zich bevindt, en koop de tickets. Ik zoek nog even naar de plek waar de bussen vertrekken en keer met een voldaan en goed gevoel terug naar het hotel. Missie vlot geslaagd – dacht ik. Toen we de tickets van naderbij bekeken was toch niet alles duidelijk en we nemen onze vertaalgids erbij om enkele tekens te vergelijken. Al snel wordt alles duidelijk en liggen we in een deuk: Ik ben er in geslaagd om treintickets te kopen in plaats van bustickets zonder het te beseffen. Zoiets kan enkel in China… althans dat hoop ik, want anders is er toch iets grondig fout.

Wegens gebrek aan tijd zijn we er toen niet toe gekomen om het “Stenen Woud” te bezoeken,  maar later zijn we naar Kunming teruggekeerd om een belangrijke brief te versturen. Veiligheidshalve hebben we toen maar een dagtrip naar Shilin geboekt in ons hotel. De fotos van deze uitstap zijn bewaard op het fototoestel van Cecile en kunnen we dus gelukkig nog tonen.

Stone Forest 022

Stone Forest 036

Stone Forest 052

Stone Forest 058

Stone Forest 064

DALI

Vanuit Kunming reizen we verder noordwaarts, in de richting van de provincie Sichuan. Dali is onze eerste stop op deze route. En ook hier zullen we tweemaal halt houden, ditmaal omdat het gerucht de ronde doet dat het Public Security Bureau (PSB) gemakkelijker visaverlengingen toestaat dan de omliggende steden.

Dali staat bekend als een paradijs voor rugzaktoeristen en dat merken we vooral aan de vele cafes en restaurants die Belgische bieren, Franse kazen en Italiaanse pastas en pizzas serveren. Dit alles in een typisch Chinees decor (traditionele huisjes, een kabbelend beekje dat door de straten loopt, overal lichtjes en rode lantaarntjes, de heuvels rond de stad,…). Wat ons het meest heeft verbaasd zijn de oude vrouwtjes in traditionele klederdracht die met een kwajongensblik in de ogen de toeristen aanspreken met de woorden “smoke ganja?”. De politiemannen enkele meters verder knijpen een oogje toe voor deze op het eerste zicht onschuldige besjes.

Ook van Dali zijn de meeste foto’s verdwenen. Gelukkig hebben we bij onze tweede stop de schade wat kunnen beperken.  Hier enkele straatbeelden, een kerk, een paviljoen en de schoolgaande jeugd in uniform,…

Dali 004

Dali 046

Dali 025

Dali 031

Dali 045

LIJIANG

We reizen verder naar het noorden en arriveren in Lijiang. De sfeer is bedrukt, want het is bij aankomst hier dat we merken bestolen te zijn. Ik heb enkele dagen nodig om van de schok te bekomen. Het begint beter te gaan na een namiddag te hebben doorgebracht op het lokale politiekantoor tussen een hoop heel vriendelijke, kettingrokende en instant-noedels etende politieagenten. Ik zondig even mee en verlaat het politiekantoor met hun excuses voor het gedrag van hun landgenoot en de belofte dat ze me zullen contacteren als ze onze spulletjes terugvinden, iets waar ik niet al te veel op hoop.

Lijiang bestaat uit een oude en een nieuwe stad. De oude stad is een verkeersvrij doolhof van kleine pittoreske straatjes, zo ingericht dat de toeristen er zich thuis voelen: overal hotels en gastenverblijven, souvenirwinkeltjes, restaurants met terrasjes langs de waterkant en internationale menus, minipaardjes waarmee je door de stad kan rijden met een berenmuts op het hoofd, bruggetjes, rivieren vol met goudvissen, een waterrad,… Kortom een disneyland en vooral een trekpleister voor Chinese toeristen. De straten lopen vol met uitgelaten, lawaaierige Chinezen en zo hebben ze het hier graag. Ook wij hebben ons heel goed geamuseerd in deze een beetje kunstmatige, maar heel mooie stad.

Lijiang 073

Lijiang 075

Lijiang 041

Lijiang 053

Vanuit ons hotel hebben we een mooi zicht op de oude stad.

Lijiang 092

De Drakenvijver in het park met de indrukwekkende Sneeuwberg op de achtergrond:

Lijiang 058

Lijiang ligt in de schaduw van de meer dan 5000 meter hoge Sneeuwberg met gletsjer. De toeristische autoriteiten hebben deze kanjer bedwongen en hem voorzien van een kabelbaan die je tot op een hoogte van 4500 meter brengt, waarna je met trapjes nog tot 4680 meter kunt stijgen. Tijdens de busrit naar de voet van de berg maak ik me een beetje zorgen als de bus stopt aan een winkel en de Chinezen rondom ons dikke jassen huren en zuurstofflessen kopen. Ook wij huren winterjassen en tot groot plezier van Cecile koop ik 2 flesjes zuurstof – volgens haar is dit overbodig. Dat dit meer een gadget is dan pure noodzaak blijkt al spoedig, want nog voor we de kabellift naar boven nemen, slurpen de Chinezen al gulzig van hun zuurstof. Ik vind het hele gebeuren wel komisch en eens boven op de berg haal ook ik mijn flesjes boven. De Chinese mannen hebben echter ook nog andere eigenaardigheden (die ik niet heb gekopieerd): eenmaal de top bereikt zijn ze zo fier als een gieter en ontbloten hun borst om te poseren voor de foto. Eigenlijk waren die rode winterjassen ook maar een gadget, maar ze staan ons wel goed.

De kabellift:

Lijiang 023

De bergtoppen, het ijs van de gletsjer en de Tibetaanse gebedsvlaggen:

Lijiang 017

Cecile op grote hoogte:

Lijiang 011

Kris in zuurstofnood:

Lijiang 112

De Chinezen poseren:

Lijiang 014

Zicht vanop de Sneeuwberg (we zien oa. de trapjes omhoog en een goed verzorgd golfterrein):

Lijiang 007

SHANGRI-LA

In Lijiang hebben we gemerkt dat de Chinezen heel goed weten hoe ze een stad kunnen omtoveren in een Mekka voor toeristen en dit wordt nogmaals bewezen in Shangri-La, onze laatste stop voor de provincie Sichuan op 3300 meters hoogte en vlakbij de grens met de provincie Tibet. De oorspronkelijke naam van deze stad is Zhongdian, maar om de toeristen te lokken hebben de autoriteiten bewust gekozen voor de naam van de paradijselijke plaats in de bergen die werd beschreven in het boek “Lost Horizon” van James Hilton (Ik baseer mij hier op de kennis van Cecile, want zij heeft het boek daadwerkelijk gelezen – zij het lang geleden).

Naast de naamsverandering is men op dit ogenblik volop bezig om typische Tibetaanse woningen te bouwen die, eens afgewerkt, de oude (!) stad zullen vormen. Onafgewerkt ziet het er toch al veelbelovend uit. Het centrale plein en de straten errond zijn aangenaam om rond te wandelen: er is een tempel met bijhorend reuzegebedswiel, een stupa, er zijn souvenirwinkeltjes die spulletjes verkopen vervaardigd uit yakhoorns en yakhuid, muurschilderingen die passages uit boedhistische teksten uitbeelden, gebedsvlaggetjes, enz…. alles zo Tibetaans mogelijk. Het klinkt wat raar, maar de Tibetaanse cultuur is niet enkel populair bij de Westerlingen. Ook de Chinezen proeven graag van de culinaire specialiteiten en participeren in de rondedansen die elke avond worden gehouden op het belangrijkste pleintje van de oude stad.

Ziehier enkele foto’s:

Shangri La 012

Shangri La 017

Shangri La 031

Shangri La 011

Shangri La 030

DAOCHENG – LITANG – KANDING

Om vanuit Shangri-La naar Chengdu, de hoofdstad van de provincie Sichuan, te reizen zijn er 2 mogelijkheden: De eerste is terugkeren met de bus naar Kunming en daar de trein nemen naar Chengdu (een reis van ongeveer drie dagen), de tweede mogelijkheid is om vier bussen te nemen verder de Himalaya in en om zo, over slechte wegen maar met mooie panoramas, via Daocheng, Litang en Kanding Chengdu te bereiken (een reis van vier dagen doorheen wat men noemt “Groot Tibet” omdat de meerderheid van de inwoners en de overheersende cultuur Tibetaans zijn – deze weg is ook niet altijd open omdat het een politiek gevoelige zone is). We kiezen voor de tweede optie en beleven de vier moeilijkste dagen van de voorbije zes maanden.

De bus van Shangri-La naar Daocheng vertrekt om 7 uur ’s morgens. Volgeladen met chips en koekjes stappen we op de bus (een Chinees rammekekarreke). We hebben geen geluk en de plaatsen die ons worden toegewezen bevinden zich op de achterste rij waar we, benepen links en rechts en met knieen drukkend tegen de zetels voor ons, een busrit van 12 uur voor de boeg hebben over wegen die nog niet helemaal aangelegd zijn. Rechts van Cecile is er een raampje en links van mij een “naar boterthee ruikende” – een uitdrukking van de Lonely Planet – en tabak snuivende  Tibetaan die af en toe vriendelijk is, maar die zich af en toe ook van zijn vuilste kantje laat zien als hij zijn bruin gevlekte zakdoek overal laat rondslingeren. We houden vol en komen aan in Daocheng rond 7 uur ’s avonds. We checken in in een vuil hotel, waar we de badkamer enkel durven te betreden om naar het toilet te gaan – geen douche dus waar we zo naar verlangden. Ons avondeten bestaat, net als de politie in Lijiang, uit een potje instant noedels. Gelukkig hoeven we niet te lang in dit hotel te blijven, want om 05.30 uur ’s anderendaags vertrekt de bus naar Litang.

Hoewel er nog plaatsen vrij zijn, worden we weer achterin de bus gestoken, gelukkig is het ditmaal slechts voor een ritje van drie uur en gelet op de snelheid waarmee de chauffeur door de bochten swingt zal het gegarandeerd minder lang zijn. We moeten enkel hopen dat we onze bestemming heelhuids bereiken. Na anderhalf uur nemen we toch de betere plaatsen en gunnen we onze blauwgedrukte knieen een beetje rust. Eindelijk kunnen we wat genieten van het voorbijflitsende berglandschap. We komen vrij vroeg aan in Litang, een stad in Tibetaanse stijl op 4000 m hoogte. Net als het water in ons guesthouse is het er niet echt warm. We behelpen ons met de waterkoker om onze instant noedelsoep klaar te maken en om ons te wassen… maar weer geen douche (wat mis ik dit toch snel). Veel valt er niet te beleven in deze stad, waar het Chinese leger alomtegenwoordig is en zich nuttig bezig houdt met het kuisen van de straatstenen.

De volgende ochtend om 6 uur vertrekt de bus naar Kanding. Ik had de tickets de dag voordien geboekt in ons guesthouse en had uitdrukkelijk gevraagd om geen plaatsen achteraan te nemen. Ditmaal konden we vooraan in de bus plaats nemen, alleen… niet naast elkaar. Een beetje vreemd, maar goed, we zijn er toch in geslaagd om ergens een plaats voor ons twee te bemachtigen, zij het met angst dat iemand naar ons toe zou komen om zijn of haar plaats(en) op te eisen. En toen begon het: een busrit van 10 uur waarbij we regelmatig 20 cm uit onze stoel wippen. Telkens als we dachten: “nu hebben we het ergste wel gehad”, werd het nog slechter. We bereiken uiteindelijk Kanding in de late namiddag. Het lijkt een aangename stad te zijn aan de oevers van een wilde rivier en aan de voet van een besneeuwde berg, maar we zijn te moe en geradbraakt om nog even op verkenning te gaan. Het hotel bij het busstation is beter dan wat we de voorbije dagen gewoon zijn geweest. We zullen nogmaals chips, koekjes en instant noedelsoep eten, maar het ziet er naar uit dat we ditmaal toch een douche zullen kunnen nemen. Iets te enthousiast echter draai ik aan de douchekop en hop ik sta ermee in mijn handen… afgebroken. Ik ga naar de receptie en toon de kapotte douchekop. Het kost me 30 Yuan (ongeveer 3 €), maar we mogen verhuizen naar een andere kamer en dus sta ik even later eindelijk toch onder de douche. Het ergste lijkt voorbij.

De volgende dag nemen we een deluxe bus naar Chengdu, rond 10 uur zodat we een beetje kunnen uitslapen. Weer zijn onze plaatsen niet naast elkaar, maar de bus is niet helemaal vol en dus laten ze ons maar doen. Tijdens een stop onderweg parkeert er zich een wagen zonder nummerplaat net voor de bus. Een man in militair uniform doet teken naar me en toont een verrekijker in donkergroene legerkleur met oranje reflecterende glazen. Ik ben niet geinteresseerd, maar de mannen in uniform kunnen toch rekenen op heel wat belangstelling van de mensen op onze bus, want het blijkt geen gewone verrekijker te zijn. Als je de achterkant van de verrekijker met enkele vingers bedekt kan je blijkbaar nog steeds alles zien. Heel verwonderlijk en de uitdrukking op de gezichten van de Chinezen die een voor een door de verrekijker kijken, spreekt boekdelen. Het nut ervan is betwistbaar, want je kunt evengoed een gewone verrekijker nemen en vermijden dat je je vingers voor de glazen houdt. Toch zijn er enkele medereizigers die zich er een aanschaffen (de prijs was ergens tussen de 30 en de 50 €). Ik vraag me af of de verkopers echte militairen zijn en zo ja welke som de Chinese minister van defensie heeft ontvangen om het leger uit te rusten met deze gesofisticeerde verrekijkers? De busreis verloopt verder gladjes en voorspoedig, tot we rond 15.30 uur terechtkomen in een hele grote file. De weg is geblokkeerd tot 17.00 uur. Omwille van wegenwerken die het gevolg zijn van de zware aardbeving die hier in 2008 plaats had, kan het verkeer slechts in een richting rijden. Uiteindelijk bereiken we onze eindbestemming Chengdu rond 20.00 uur ‘s avonds. We zijn uitermate moe, opgelucht en tevreden.

Enkele foto’s van onderweg:

Sichuan 001

Sichuan 002

Sichuan 005

Enkele foto’s van Litang:

Sichuan 018

Sichuan 026

Sichuan 024

CHENGDU

De eerste dagen in Chengdu trachten we de schade in te halen van de voorbije dagen: douchen, lekker eten en vliegtuigtickets kopen in de plaats van bustickets. Maar we kunnen Chengdu, de hoofdstad van de provincie Sichuan, die bekend staat als de thuishaven van de panda’s, niet verlaten zonder aan deze schattige ex-vleeseters een bezoek te brengen. Er werd ons aangeraden om vroeg in de ochtend te gaan, omdat de panda’s dan het actiefste zijn. Rond een uur of negen worden ze gevoed met bamboe, eten zich dik en vallen vervolgens uitgeteld in slaap. Het “Giant Panda Breeding Center” geeft ook een thuis aan de Rode Panda’s. Deze kleine rosse beren trekken helemaal niet op hun zwart-witte verwanten, maar zijn wel even schattig. Voor 100 € kan men een jonge panda even in de armen nemen en een foto trekken., maar deze eer laten we aan ons voorbijgaan.

Pandas 047

Pandas 134

Pandas 088

Pandas 097

Pandas 115

Pandas 122

Zoals Cecile het al heeft verteld in het vorige artikel, hebben we na zes weken een beetje genoeg van China. Het is een land waar we heel graag nog zouden terugkeren, maar we voelen dat nu de tijd gekomen is voor iets anders: we nemen het vliegtuig terug naar Singapore… Maar hierover later meer.

Vele groetjes vanwege Kris en Cecile.

Lijiang 006

Une petite explication sur le silence des dernières semaines…

Posté dans Chine / China avec des tags le juin 8, 2009 par Cécile

Nous n’avons plus posté depuis, euh, longtemps. Beaucoup d’entre vous savent pourquoi. Pour les autres, voice quelques mots d’explication. Rien de grave…

Il y a quelques semaines, nous sommes avons pris un bus de nuit entre Kunming (la capitale du Yunnan) et Lijiang (une ville à huit heures de route). A l’arrivée, nous avons eu la sale surprise de constater que le petit sac à dos de Kris avait été découpé au cutter et que son portefeuille, de l’argent, notre mini laptop, son appareil photo et, plus étonnament, un paquet de Nescafé avaient disparus. Comme d’une part, nous avions perdu les photos les plus récentes et que d’autre part, sans le laptop, la mise à jour du blog s’avérait nettement plus compliquée, nous avons un peu “laisser pousser des cheveux” sur ledit blog. Nous sommes actuellement à Singapour, nous avons racheté un laptop et nous allons pouvoir essayer de rattraper le temps perdu mais il y a beaucoup à raconter.

En résumé, la Chine est un pays fascinant mais fatiguant, nous avons visité des endroits magnifiques (les paysages, en particulier, m’ont surprise : je ne m’attendais pas à ce que soit aussi beau) mais nous en sommes sortis assez crevés tout de meme. Car les Chinois présentent la particularité singulière de parler chinois. Et pas grand chose d’autre. Parfois un chouia d’anglais mais sinon, aucune langue connue de nous (et non, les Chinois ne parlent pas flamand, mais que fait Bart De Wever ?). Alors, au début, on trouve ça plutôt marrant, on communique en montrant des phrases dans un petit guide de conversation, chaque fois qu’on arrive à se faire comprendre, c’est une petite victoire et on est tout contents quand on arrive à déchiffrer l’un ou l’autre mot en chinois. Et puis, au bout d’un moment à devoir sukkeler pour n’importe quel acte basique de la vie quotidienne (manger, dormir, aller à la toilette – ça n’a l’air de rien mais c’est toute une technique en Chine, d’abord trouver la toilette ou à défaut un coin tranquille, puis ne pas aller chez les hommes par erreur et ensuite, essayer de determiner comment utiliser la toilette en question, face ou dos au mur, faut-il essayer de trouver un moyen de préserver son intimité quand il n’y a pas de porte ou faire la causette avec les personnes faisant la file juste sous votre nez, quelle pose utiliser pour ne pas mettre son pied là où il ne faut pas tout en conservant son équilibre, etc), ça finit par lasser. Alors comme en plus, l’histoire du vol ne nous avait pas vraiment mis de bonne humeur et qu’on en avait un peu marre des bus chinois (surtout qu’on avait fait quatre jours de route assez éprouvante), lorsqu’on a découvert qu’il existait des vols vers Singapour depuis Chengdu, la grosse ville où l’on se trouvait (capitale du Sichuan), on a, après six semaines en Chine, jeté l’éponge.

On en garde un bon souvenir.  Peut-être qu’on y retournera.  Sûrement en fait.  Car en plus du fait qu’il y a vraiment beaucoup à voir et à faire en Chine, il faut quand même dire  qu’on a bien rigolé. Alors, on va essayer peu à peu de vous relater ces six semaines, un peu en résumé quand même. A part pour un ou deux endroits, on a, en tous cas, assez de photos pour vous montrer un peu les beaux endroits qu’on a vus et beaucoup d’anecdotes à vous raconter.

Bises

Cécile & Kris

Avec les compliments de Monsieur le Panda

Pandas 132

VIENTIANE – KUNMING

Posté dans Chine / China, Laos avec des tags , , le mai 2, 2009 par Kris

VOORWOORD

Wanneer we in een nieuw land aankomen is het altijd even wennen. Hoe laat is het hier? Zijn er bankautomaten? Kunnen we geld wisselen? Zijn er treinen en bussen? Hoe boeken we tickets? Vinden we gemakkelijk plaats om te slapen? Zijn er tandartsen (beroepsmisvorming)? Kunnen we telefoneren? Waar vinden we internet? Waar en wat kunnen we eten? Enz….

 We zijn momenteel in China en hier is het iets moeilijker om een antwoord te vinden op al deze vragen. Enerzijds omwille van het taalprobleem, wat ons dikwijls belet om de antwoorden gewoon te vragen of af te lezen en anderzijds zijn er de vele, zoals Cecile ze zo mooi noemt,  ”Chinoiseries”: Alles is zo anders in dit land, het lijkt wel Chinees. We hebben dus wat tijd nodig om ons aan te passen.

Een van de zaken die hieronder lijden is onze blog. We hebben al enkele malen getracht om hem te updaten, maar steeds stootten we op “The Great Firewall of China”: het programma waarmee de Chinese overheid internetpaginas censureert die niet naar haar zin zijn. WordPress is hier een van. Hoe het komt dat ik er in dit internetcafe in Dali toch in slaag om onze blog te updaten is mij een raadsel. Maar ik vraag niet meer waarom. Het is de verdienste van China dat het ons leert leven met raadsels. Ik ben dus gewoon blij dat het werkt en hopelijk zijn jullie dit ook.

Nu het vervolg van onze weg. Ik neem jullie mee van Vientiane naar Kunming.

 

VIENTIANE

Vientiane – de schattige hoofdstad van Laos, aan de oevers van de Mekong – is er heel goed in geslaagd om de typische ingrediënten van een klein Boeddhistisch en communistisch Zuidoost-Aziatisch land te vermengen met de meest begerenswaardige elementen van een halve eeuw frans kolonialisme. De hete noedelsoep die daarmee wordt gekookt is er één met tempels, monniken, wijn en pastis, croissants en malse steaks: kortom het beste van twee totaal verschillende culturen.

Een voorproefje:

vientiane01

vientiane02

 vientiane03

 

Na vier maanden schampavie doet het goed om een plaats te vinden die een beetje aan thuis doet denken. Het is alvast één van de redenen waarom we beslissen om langer in Laos te blijven dan voorzien en dan  toegelaten door ons visum van 30 dagen. Bij de immigratiedienst verlengen we ons visum met twee weken. We moeten nu het land verlaten voor 19 april 2009. Dit laat ons tevens toe om het Lao nieuwjaar mee te maken, één van de grootste feesten in het land.

 Het is aangenaam vertoeven in Vientiane, een hoofdstad zonder files en megabuildings. Na Brussel, Delhi, Singapore en Bangkok voelt dit vreemd aan. We brengen de dagen door met wandelen door de stad, bezoeken van enkele historische tempels, de Patuxai en de Pah That Louang, het nationale symbool van Laos. Af en toe moeten we schuilen voor de hitte en af en toe voor de heftige stortvlagen en onweren. Maart en april zijn de warmste maanden van het jaar in Laos.

 De oudste tempel in Vientiane is de Wat Sisaket. Ongeveer 7000 Boedha beeldjes zijn hierin ondergebracht.

vientiane04 

vientiane05

vientiane06

 

Haw Pha Kaew was de persoonlijke tempel van de vroegere koning. Hij doet nu dienst als museum van kunsten en antiquiteiten. Voor het mooiste beeld zorgt Cecile.

vientiane07 

vientiane08

vientiane09

 

Boedhistische tempels gaan vaak samen met “Stupas”. Dit zijn kleine of grote torens waarin beenderen worden bewaard van mensen die, zoals de boedhistische traditie het verlangt, na de dood worden verbrand. Naast een tempel vindt men vaak een aantal kleinere stupas. Sommige stupas zijn wat specialer en hebben omwille van hun grootte, ouderdom of vorm ook een zekere culturele waarde, zoals de That Dam.

 vientiane10

 

De grootste, mooiste en belangrijkste stupa is de Pah That Louang, tevens het nationale symbool van Laos. Hij werd voor het eerst gebouwd halverwege de 16de eeuw door Koning Setthathilat, de man die is afgebeeld net voor het monument. De stupa had in die tijd de vorm van een piramide en was met goud bedekt. Het nieuwe monument werd opgetrokken in 1930. Het is 45 meter hoog en is omringd door 30 kleine stupas. Het goud blinkt en verblindt in de zon. 

vientiane11 

vientiane12

 

De belangrijkste verkeersader is Lane Xang Avenue. Enigsinds geïnspireerd door de Champs Elysées in Parijs leidt deze avenue van het Presidentieel Paleis tot aan de Patouxai, een poort gemodelleerd op de Arc de Triomphe. De Patuxai of “Overwinningspoort” werd gebouwd in 1962 (het jaar 2505 volgens de Lao jaartelling) maar werd nooit afgewerkt omwille van de turbulente geschiedenis. Ook in Laos werd om de macht gestreden tussen de communisten en de royalisten. Deze laatsten werden gesteund door de Amerikanen die, hoewel niet officieel in oorlog, een enorme hoeveelheid bommen hebben gedropt om de doorgang te verhinderen van Noord-Vietnamese troepen. In 1975 namen de communisten het roer over van de koninklijke familie. Veel explosieven zijn nog intact en blijven voor problemen zorgen. De meeste steden en toeristische sites zijn vrij van explosieven, maar naar schatting 25% van de dorpjes is nog steeds besmet met wat ze hier “bombi” noemen.

Verder vernemen we dat de het Lao-volk helemaal niet onder de indruk is van deze poort. Van dichtbij bekeken noemen ze het zelfs een “betonnen monster”. Hun bescheidenheid siert hen,  maar doet hen tegelijkertijd onrecht aan. Het chauvinisme van de Fransen hebben ze zeker niet meegekregen.

 vientiane13

vientiane14

vientiane15

vientiane16

 

Op een mooie ochtend pakken we onze spullen en reizen we door naar het noorden. De bus draait en kronkelt over de bergpaden en brengt ons naar:

LOUANG PRABANG

De combinatie van oude tempels en Franse koloniale architectuur heeft ervoor gezorgd dat deze stad in 1995 een plaats heeft gekregen op de lijst van het werelderfgoed van de UNESCO. Tijdens ons verblijf in Louang Prabang komen we tot rust, bezoeken we enkele tempels, het nationaal museum, rijden we olifant en vieren het Lao nieuwjaar.

De stad is volledig omringd door heuvels, ligt aan de oevers van de Mekong en herbergt een groot aantal monniken, die de straten kleur geven en die ze animeren.

louang-prabang-01 

louang-prabang-02

louang-prabang-03 

louang-prabang-04

 

Een andere bron van animatie zijn de vliegtuigen die ons zo nu en dan overvliegen. De kleine luchthaven is vlakbij en er zijn een aantal interessante plekken voor vliegtuigspotters. Het vliegtuig van Lao Airlines hieronder is alvast klaar om te landen.

 louang-prabang-05

 

De voornaamste religieuze attractie is de That Phousi. Deze stupa is gebouwd bovenop een heuvel, midden in de stad, vanwaar men een mooi allesomvattend uitzicht heeft. Rondom de stupa staan enkele mooie beelden van gelukkige, glimlachende Boedhas. Tijdens de viering van het Lao nieuwjaar beklimmen de inwoners deze heuvel om offers te brengen aan Boedha. Ze doen dit door overal rijst, snoepjes en andere eetbare dingen achter te laten. De arme mensen en de kinderen rapen ze gretig op.

louang-prabang-06 

louang-prabang-07

louang-prabang-08

louang-prabang-09

 

De festiviteiten rondom het Lao nieuwjaar (Pi mai Lao) nemen ongeveer 7 dagen in beslag. Er heeft oa. een missverkiezing plaats, er is een kleine parade, men transporteert enkele religieuze beelden en er zijn allerlei markten. Het meest opmerkelijke zijn echter de watergevechten. Van 13 tot 16 april was het niet mogelijk om buiten te komen zonder enkele emmers water over zich heen te krijgen. De waterbrigades staan opgesteld langs de kant van de weg en men kan er niet omheen. De verfrissing was meestal welgekomen en de kleren drogen snel.

 louang-prabang-10

De kinderen amuseren zich kostelijk…

louang-prabang-11

De ouders ook…

louang-prabang-12 

 

Tijdens ons verblijf in Louang Prabang hebben we een bezoek gebracht aan een olifantendorp. 7 olifanten die voorheen zware arbeid verrichtten en de hele dag met boomstammen sleurden staan nu in dienst van de toeristen. Tijdens ons verblijf in het dorp volgen we een dag in het leven van de mahouts. Elke olifant heeft haar (het zijn allemaal vrouwtjes, want blijkbaar zijn de mannetjes te wild en wispelturig) eigen mahout die haar verzorgt en naar wie ze luistert. Na een ritje in de voormiddag, in een houten zadel op de rug van de olifant, leren we hoe we in de nek van de olifant kunnen gaan zitten. Vervolgens rijden we met de olifanten naar de plek in de jungle waar ze de avond en de nacht doorbrengen. De volgende ochtend rond 7 uur gaan we de met modder besmeurde olifanten terug ophalen in de jungle. Daarna waden we in de rivier en wassen hun dikke huid met een grove borstel tot ze helemaal proper zijn. Na de wasbeurt brengen we ze terug naar het dorp waar ze eten en wachten op een nieuwe lading toeristen. We nemen afscheid van deze ijzersterke, brave loebassen en keren kayakkend terug naar Louang Prabang. Het was een heel leuk en leerzaam avontuur.

 louang-prabang-13

louang-prabang-14

louang-prabang-15

louang-prabang-16

 

De tijd is heel snel gegaan in Laos. We hadden het er heel erg naar onze zin en zijn gebleven tot de laatste dag dat ons visum ons toeliet. Op 18 april in de ochtend namen we de bus van Louang Prabang naar Mengla, een grensstad in de provincie Yunnan, China.

 Hoewel een slaapbus slagen we er niet in om één oog toe te doen tijdens deze helse rit over de hobbelige wegen, kronkelend door de bergen en dalen van Noord Laos. Als we de grens met China naderen en oversteken verbetert de kwaliteit van de weg, wat we toeschrijven aan het Chinese zweet en vakmanschap, maar lang duurt deze illusie niet. Grote stukken weg zijn nog niet afgewerkt en de bus moet zich een weg banen over aarden en modderige wegen met diepe plassen en putten.

 mengla-bus-1

mengla-bus-21

 

CHINA

MENGLA & LU CHUN

Het is avond als we aankomen in Mengla en op zoek gaan naar een hotel. De mensen spreken geen Engels en het is niet zo eenvoudig om alles uitgelegd te krijgen. We behelpen ons door zinnen aan te wijzen in onze vertaalgids. Het is niet de meest aangename manier van communiceren met de mensen, maar de Yunnanese Chinezen die we tot hiertoe hebben ontmoet zijn zeer vriendelijk en behulpzaam. Na het hotel keren we terug naar het busstation om een ticket te boeken naar Yuanyang, onze eerste echte bestemming in China. Er blijken geen rechtstreekse bussen te zijn en de behulpzame staff toont ons een plaats onderweg waar we kunnen overstappen.

De volgende ochtend nemen we voor het eerst de bus naar een plaats die niet in onze gids voorkomt en waarvan we zelfs de naam niet kennen. Evenmin weten we hoe ver het is en hoe lang we op de bus zullen zitten. Gaandeweg komen we meer en meer te weten. We gaan naar Lu Chun, de landschappen zijn adembenemend, de weg is in slechte staat en de Chinese mannen roken als Turken. Het is laat in de avond als we aankomen in Lu Chun. Te laat om voort te reizen en we zoeken een plaats om te overnachten. Op de belangrijkste plaats van deze stad (een soort grote markt) zijn we voor het eerst getuige van de avondlijke bezigheden van de Chinezen. Bij valavond worden voor de kinderen grote springkastelen opgeblazen en voor de allerkleinsten wordt er een treintje gemonteerd dat rondjes rijdt. Iets later weerklinkt er rustige traditionele muziek op de markt en zien we volwassenen van alle leeftijden samen salondansen.

 Slechts een busrit van vier uur verwijdert van Yuanyang, zetten we ‘s morgens vroeg aan. Onderweg vult de bus zich met mensen van lokale etnische stammen in mooi geborduurde traditionele en kleurrijke kostuums. Yunnan staat bekend omwille van zijn grote verscheidenheid aan etnische minderheden, maar we hadden niet verwacht dat ze op zo een natuurlijke wijze aanwezig zouden zijn in het dagelijkse leven. Dit is anders dan in Laos waar trektochten worden georganiseerd om de dorpen van de lokale etnische stammen te gaan bezoeken. Het is spontaner en men voelt zich veel minder als een toeschouwer in de zoo.

 

YUANYANG

 Deze stad in de bergen ligt op 1600 meter hoogte. Alle vijf dagen is deze stad het toneel voor een markt, waarbij de stammen (Hani, Yi en Yao) uit de omliggende dorpjes samenkomen om hun goederen te verkopen.  Dit levert enkele leuke taferelen op in het mistige Yuanyang.

 yuanyang01

yuanyang02

yuanyang03

 

Yuanyang is de uitvalsbasis om de errond gelegen rijstterassen te bezoeken. De maand april is een goed tijdstip om dit te doen omdat de rijstvelden onder water staan en dit het geheel nog spectaculairder maakt. Op dat vlak zitten we dus goed, maar om helemaal perfect te zijn had er een zonnetje aan de hemel moeten staan dat het geheel wat kleur geeft.

yuanyang04

yuanyang05

yuanyang061

 yuanyang07

yuanyang08

yuanyang091

 

De eerste dagen in China bevallen ons heel goed. Het is moeilijker en anders dan wat we gewoon waren, maar we krijgen er ook veel voor terug. We hadden twijfels over de communicatie, over de hotels en over het eten, maar alles valt reuze mee. Het eten is goedkoop, komt in grote hoeveelheden en is meestal zelfs lekker, zo getuigt ook het stralende gezicht van Cecile in ons favoriete restaurant in Yuanyang.

 yuanyang10

Vanuit Yuanyang namen we de bus naar Kunming, de hoofdstad van de provincie Yunnan. In tegenstelling tot onze vorige busritten ging dit heel gezwind. Bijna de hele weg was autostrade.

 Groetjes,

 yuanyang111

Cécile en Kris 

BANGKOK – VIENTIANE

Posté dans Laos avec des tags , , le mars 29, 2009 par Cécile

Ceux qui avaient lu le “Wat is Dat” et pris connaissance de notre programme originel auront remarqué que nos plans ont un tout petit peu changé puisque nous avons décidé de ne pas aller aux Philippines et, à la place, de rejoindre la Chine par la voie terrestre au départ de Singapour. Ca fait un peu “Peking Express” sauf qu’on va à Hong Kong (oui, je sais, on doit arrêter de regarder des bêtises à la télé) et surtout, ça permettra de placer la fameuse phrase “on est arrivés à pied par la Chine” à notre retour car même si on voyage en bus, les frontières se passent toujours à pied.

Kris se prépare pour participer à “Peking Express”:

p1000595

De Singapour à Bangkok, c’était simple. Bienvenue dans le monde des bus VIP à 24 places.

De Bangkok à Vientiane, c’est un peu moins simple. Bienvenue dans le monde sans bus VIP à 24 places.

BANGKOK EXPRESS

Bangkok donc, où l’on a passé plusieurs jours en attendant nos visas pour le Laos et qui a clôturé notre court séjour en Thailande. Une ville très particulière. Un peu Venise avec ses nombreux canaux, un peu Gotham City avec ses viaducs et son skytrain qui lui donnent une allure quasi-futuriste.

Le skytrain:

p1000428

Grâce à ma (petite) connaissance des lieux (pour y être passée plusieurs fois en 2005), j’ai pu guider Kris, éviter de perdre son temps dans des lieux culturels et faire des choses vraiment intéressantes comme passer des heures dans un bus plein à craquer coincé dans les embouteillages, d’autres à l’immense marché du week-end, visiter les nouveaux centres commerciaux (assez impressionnants soit dit au passage : déjà en 2005, il y en avait beaucoup mais ils ont encore trouvé de l’espace pour en construire d’autres, toujours plus modernes) et aller au cinéma.

p1000424

Donc, un peu une étape de transition, Bangkok… Une fois nos visas en poche, nous prenons notre dernier bus VIP avant un moment pour nous rendre à la frontière avec le Laos. Notre séjour en Thailande a été court, par la force des choses. En effet, un mois avant notre arrivée dans le pays, le gouvernement a, fort opportunément en cette période de crise touristique (due à la crise tout court – le blocage des aéroports de Bangkok en novembre dernier n’ayant rien arrangé), décidé de décourager encore plus les touristes en limitant le temps de séjour de ceux qui entrent dans le pays par la voie terrestre à deux semaines. Bref, nous devons être hors du pays le 5 mars. Entretemps, les règles semblent avoir de nouveau changé.

La Thailande est un pays où il est facile et agréable de voyager, les Thais sont sympas et on garde un excellent souvenir de notre bref passage. La cuisine est également inoubliable. May Kadee tient un excellent restaurant végétarien et donne des cours de cuisine tous les matins où, en plus d’apprendre à cuisiner le curry vert et la salade de papaye verte, elle tente (un peu en vain d’ailleurs) de passionner ses élèves pour la musique thai en leur apprenant une chanson de sa composition. Elle aurait été élue meilleure cuisinière de Thailande par SAR Philippe de Belgique. Oui, nous aussi ça nous a été étonnés, on pensait qu’il était plutôt du genre steak-frites. Comme May Kadee n’est pas très grande, on suppose qu’il était content de pouvoir placer une adaptation de son discours favori: “I often compare May Kadee to Belgium, she is very small but she shines like a diamond”.

Cours de cuisine avec May Kadee:

p1000460

Toujours dans le chapitre des majestés et altesses en tous genres, l’admiration portée par les Thais à leur souverain n’a pas de bornes et le roi Bhumibol est vénéré comme un Dieu. Les portraits du Roi à des âges divers sont omniprésents. Un plaisantin suisse qui avait dessiné une moustache sur une photo de Lui s’est retrouvé en prison. Tout film diffusé au cinéma commence par un petit clip à la gloire du Roi et le public est prié de se lever et de déposer ses popcorns pendant le clip en question. Une certaine inquiétude semble régner face à la succession de Bhumibol, qui est aujourd’hui âgé de plus de 80 ans et qui est le plus vieux souverain régnant du monde. Comme son fils est aussi détesté que lui-même est adoré, des slogans “Long live the King” sont récemment apparus un peu partout, notamment pour clôturer les clips au cinéma. Il faut dire que la situation politique est encore nettement plus troublée en Thailande qu’en Belgique…

Nous porterons un dernier hommage au Roi de Thailande à la gare routière d’Ubon Ratchatani, juste avant de partir pour le Laos. En effet, à huit heures du matin, l’hymne national retentit et toute la gare routière se lève, nous y compris, et fait face au portrait du Roi pendant la durée de l’hymne.

ARRIVEE AU LAOS

Nous débarquons à Pakse en début d’après-midi, après avoir pensé à rebrousser chemin quand le garde-frontière nous a extorqué un bakchich. Malgré cette entrée en matière peu engageante, nous nous sentirons vite à l’aise dans ce pays aux villes étrangement petites et calmes (Pakse, deuxième ville du pays, a la taille de Alost et, si on n’y passe pas à l’heure de la sieste, est au moins autant animée que Malmédy), sans embouteillages (après Bangkok, ça soulage), où les touristes sont très peu sollicités, aux superbes paysages (non transformés en décharge à ordures comme c’était souvent le cas en Inde), aux villages où se baladent librement vaches, buffles, cochons et poulets, qui se retrouvent par après dans notre assiette (et si on a toujours peur d’en manger un avec qui on a sympathisé, il faut bien avouer que cette vie agréable donne un très bon goût à la viande – jamais mangé des produits d’un aussi bon rapport qualité-prix, même les légumes doivent être bien traités car ils sont délicieux) et où le choix de boissons qui font rire (bière, vins, apéros) à prix modérés est plus important que dans aucun des pays visités jusqu’à présent ! On suppose que la vie doit être moins idyllique pour les Laos (pauvreté, pas de démocratie, corruption – cf ci dessus -> a priori, ça ne semble pas être les ingrédients d’une vie heureuse). En tous cas, ils semblent discrets, accueillants, ont le sens de la fête (peut-être une conséquence du prix peu élevé des boissons qui font rire mais toute occasion semble être bonne pour faire la fiesta), tout en ayant adopté un mode de vie assez contemplatif* dirons-nous, n’essayent à peu près jamais de nous arnaquer et le seul point négatif qu’on ait pu trouver est que leur goût en matière musicale est parfois douteux : les clips de musique pop thai le plus souvent (vu l’omniprésence des médias thais) ou plus rarement lao qu’ils regardent tout au long de la journée, l’hymne national thai que la cuisinière d’un restau entonne à tue-tête lorsque la radio thaie qu’elle écoute le diffuse (on suppose que le Laos est le genre de pays où, le jour où le Premier ministre sera élu, il entonnera l’hymne thai quand le journaliste le testera et lui demandera de chanter l’hymne lao), le guide de trek qui visiblement s’est fait un Best Of avec toute la série des “Knuffel rock”.

UN PEU DE CULTURE : LE WAT PHU

Le Sud du Laos est plus connu pour sa nature et pour l’occasion d’apprécier le mode de vie contemplatif des habitants, tel que mentionné ci-dessus. Toutefois, on y trouve certaines ruines pré-angkoriennes*, dont un temple, le Wat Phu, qui est classé au Patrimoine mondial de l’Unesco. Nous partons donc visiter ce temple situé au sud de Pakse, près de l’agréable petite ville de Champasak. Le temple est situé au pied d’une montagne ce qui lui donne une situation spectaculaire et il est orné de jolies sculptures.

p1000509

p1000516

LE MEKONG

La vie au Laos, particulièrement dans le Sud, s’articule autour du Mékong. Pour les touristes, ça signifie qu’on y mange de l’excellent poisson de rivière et qu’on a de nombreux moments Panasonic (publicité hélas gratuite) au bord du fleuve ou en le traversant.

La traversée du Mékong se fait sur des car-ferrys ou moto-ferrys relativement rustiques mais très inventifs, une planche en bois qui réunit deux ou trois barques.

p1000523

p1000500

A l’extrême sud du pays, près de la frontière cambodgienne, le fleuve s’élargit et une multitude (oui, oui, une multitude ; d’ailleurs, la région s’appelle les 4000 îles) de petites îles apparaissent. Il s’agit de l’attraction touristique phare de la région et tout le monde s’y retrouve pour admirer les beaux paysages et glandouiller. La capitale de la province des 4000 îles se trouve sur l’île la plus grande, Don Khong. C’est vraiment très calme et charmant.

p1000530

Nous avons également visité Don Khone, plus au Sud, plus touristique car encore plus jolie. On peut y admirer les restes d’un petit bout de voie ferrée que, pour des raisons qui leur appartiennent et qui nous apparaissent comme assez mystérieuses, les Français avaient construit du temps où le Laos était une de leurs colonies. Du coup, on peut y voir une très vielle loco.

p1010203

En plus de ce petit bout d’histoire, les paysages y sont superbes et on peut notamment y voir des chutes d’eau. Beaux paysages.

p1010192

p1010199

p1010227

NOS DEUX “TREKS”

Je mets des guillemets autour du mot “treks” parce que si c’est le mot employé par les agences qui les organisent, le terme est quand même assez exagéré (à ce train, faire la digue de mer entre Sint-Idesbald et Oostduinkerke sera bientôt un trek). Nous avons fait deux “treks” de deux jours chacun, avec des agences ou organismes pratiquant l’écotourisme*, la nature au Laos se prêtant bien aux balades à pied. Le premier “trek” nous conduisait sur le Plateau des Bolaven, région connue pour son climat tempéré, ses plantations de café, de thé et ses chutes d’eau. Nous avons donc pu visiter des plantations et voir trois chutes d’eau, dont Tad Fane, la destination finale du “trek”. Hautes de plus de 120m, on est passé à leur sommet (mais pas à leur base ce qui leur donne un air vaguement “mystérieux”) pour ensuite rejoindre un point de vue d’où on peut les admirer et les prendre en photo (mais la photo ne rend pas vraiment leur côté impressionnant).

p1000470

p1000475

p1000483

Le second “trek” se déroulait dans la région de Tha Kek, connue pour ses nombreuses grottes et pour ses paysages halonguesques*.

p1000564-2

p1000578

Dans ce “trek”, l’aspect écotouristique était particulièrement développé : on nous a quasiment forcés à aller jusqu’au village voisin pour observer la vie authentique des habitants authentiques et prendre des photos d’autochtones préalablement sélectionnés (on suppose qu’ils organisent un tour de rôle). Toujours aussi peu spontané mais nettement plus agréable, certains habitants du village ont organisé, le soir venu, une cérémonie du Baci, c’est-à-dire une cérémonie destinée, notamment, a éloigner les mauvais esprits, et où, concrètement,  tout le monde se noue des bracelets en corde porte-bonheur autour du poignet, le tout en buvant de la Beer Lao. Nous y avons rencontré le prof de maths du village qui semblait bien s’amuser en nous posant des colles en tous genres.

p1000580

LES GROTTES ET LES PAYSAGES DANS LA REGION DE THA KEK

La région de Tha Kek est récemment devenue une mecque pour les jeunes aventuriers, depuis que l’incontournable guide Lonely Planet reprend l’itinéraire d’une boucle (“The Loop”) permettant de relier à moto les nombreuses grottes de la région, le tout en traversant des paysages spectaculaires. Nous devons avoir pris un coup de vieux car franchement, faire 500 kilomètres à deux sur un petit bromfiets chinois et sur des routes à l’état variable* ne nous emballait pas particulièrement et on a préféré marcher (voir plus haut) ou prendre les transports en commun (voir plus bas).

On a toutefois sacrifié à la tradition et loué un brommer pour se rendre à la grotte des Buddhas. L’occasion d’admirer de magnifiques paysages (bis repetita, et je commence à manquer d’adjectifs pour décrire les paysages en question).

p1000553

p1000552

La grotte contient plus de 200 statuettes de Buddha et ressemble à un étal de bondieuseries. Là où ça devient intéressant, c’est que ces statuettes, qui donnent vraiment l’impression d’avoir été posées là le matin même, ont, selon les estimations, plus de 600 ans. Il s’agit d’une découverte très récente; un habitant de la région a trouvé la grotte et les statuettes alors qu’il était à la chasse aux chauves-souris (!). C’est devenu un lieu de pélérinage pour les Thais et les Laos.

De Tha Kek, nous partons plus au nord, pour visiter la grotte de Kong Lo, qui fait 7 kilomètres et qu’on visite en bateau. Nous avons pris l’option “routard de luxe” à 28 euros. Si le prix de la chambre était assez ambitieux, nous n’avons pas regretté notre décision car pour rejoindre la grotte depuis le resort (situé à 12 kilomètres), nous avons voyagé en barque et les paysages valaient vraiment le voyage, plus que la grotte elle-même qu’on visite dans le noir le plus complet, à l’exception d’une petite partie éclairée où l’on descend du bateau et où on peut admirer des stalagtites et stalagmites (pas de chance, on avait laissé l’appareil photo dans le bateau). Par ailleurs, la vue depuis notre chambre au Sala Hin Boun et la cuisine incroyablement délicieuse ont fait passé la pillule du prix de la chambre.

En bateau sur la rivière Hin Boun

p1010328

p1010281

p10103221

p1010353

LES TRANSPORTS AU LAOS : LES RAMMEKARREKE INDIENS, C’ETAIT DE LA GNOGNOTE

Ben oui, de la gnognote ! Certes, les bus indiens ne brillent pas toujours pas leur confort mais:

  • ils servent uniquement au transport de passagers. Comme il faut les rentabiliser un maximum et qu’il y a toujours assez, voire beaucoup trop de passagers, il n’y a plus assez de place pour transporter beaucoup de marchandises (on nous regardait d’ailleurs souvent scheef avec nos gros sacs à dos) et on n’y croise donc pas de bouteilles et bidons pleins d’essence, de cochons dans des sacs, de caisses pleines de poissons vivants, etc;
  • comme il y a toujours des passagers en suffisance, le bus n’est jamais remplacé par un camion aménagé pour le transport des passagers (les “sangthaews” laos);
  • ils n’ont jamais l’air conditionné et leurs fenêtres sont toujours grandes ouvertes. Un bonus quand il y a beaucoup de bouteilles d’essence à bord et que les enfants qui ont le nez dessus sont un peu incommodés*;
  • ils sont toujours en bon état relatif, voire parfois neufs et on ne voit pas de fumée s’échapper du moteur, ni d’accompagnateurs de bus courir partout au bord de la route pour aller chercher de l’eau afin de refroidir le moteur en question.

Sangthaew

p1000604

Rammekecarreke

p1000608

LEXIQUE

mode de vie contemplatif: se dit d’un mode de vie sans stress et relativement lent, dont les activités principales sont de faire la sieste dans un hamac et écouter pousser le riz. Adopté avec enthousiasme par les routards, surtout dans diverses variantes comme : fumer des pétards, regarder pousser ses cheveux, descendre une rivière dans une chambre à air de camion, etc.

ruines pré-angkoriennes : ruines khmères antérieurs à la civilisation ayant construit les temples se trouvant dans la région d’Angkor. Se reconnait en général à l’air dédaigneux des touristes qui le visitent : “Bouh, par rapport à Angkor Wat, ça casse pas trois pattes à un canard”.

écotourisme : mode de tourisme écologique ou équitable ou les deux à la fois. Se dit en général de toute activité où la visite de la “Maison du Pauvre” (pour reprendre les termes d’une ex-collegue) est prévue au programme.

halonguesque : se dit d’un paysage rappelant la célèbre baie d’Ha Long au Vietnam, c’est-à-dire une baie parsemée de nombreuses formations rocheuses en kartz. Par extension, peut désigner un paysage terrestre parsemé de nombreuse formations rocheuses en kartz. Terme rendu nécessaire par le fait que “formations rocheuses en kartz” c’est long à dire et difficile à prononcer et que personne ne sait exactement ce que c’est mais que tout le monde a vu “Indochine” et connaît donc la baie d’Ha Long. Un paysage halonguesque se reconnaît en général à l’expression ravie des touristes qui le visitent : “Wow, c’est encore mieux que la baie d’Ha Long”.

variable : se dit d’un état qui varie. Est communément employé comme euphémisme pour parler d’un état parfois correct mais le plus souvent désastreux. Ex. : l’état des routes est variable, la météo demain sera variable.

incommodés: euphémisme. Comprendre “Qui n’arrêtent pas de gerber”.

THAILAND

Posté dans Thailande / Thailand avec des tags , le mars 3, 2009 par Kris

Op 18 februari nemen we de nachtbus naar Aloo Setar in Noord-Maleisië, vandaar rijden we door naar Kuala Perlis waar we aan boord gaan van de Ferry naar Satun in Thailand. In Satun nemen we het Thais rammekekarreke (met karaoke) naar de stad Trang in de gelijknamige provincie waar we overnachten. De volgende ochtend nemen we de boot naar “Koh Libong”, een eiland in de Andamanse zee.

Het eiland Libong is bekend voor de aanwezigheid van zeekoeien (dugongs) en als trekpleister voor vogels. We verblijven er 6 dagen in een bungalow met alle comfort op 10 meter van het strand. De meeste bungalows zijn leeg en het is er heel rustig. Er is een restaurant met lekker eten en een goedgevulde bar. Door de lage prijzen hoeven we ons niets te ontzeggen. Wat doet een mens zoal om zijn dagen te vullen op een tropisch eiland?

Een boekje lezen op het terras van onze bungalow en genieten van het uitzicht.

cecilebungalow

p1000234

De Tsunami evacuatie route localiseren

tsunamievacuation1

Baden bij zonsondergang

cecilebathing1

Bootje varen rond het eiland

koh-libong

Vogels spotten

birds1

.

birds2

Nogmaals de zonsondergang bewonderen

sunset

Kortom: Een hondeleven! :-)

hondeleven

Verblijven op een paradijselijk eiland was één van de dingen op mijn TeDoen-lijst en dat kan alvast geschrapt worden. Een andere zaak die ik kan schrappen is het behalen van mijn PADI open water duikbrevet. Na 2 volle dagen, 4 duiken op de koraalriffen en een geslaagd examen kan ik mij voortaan wenden tot elk duikcentrum ter wereld om de onderwater fauna en flora te bewonderen tot een maximum diepte van 18 meter. Het is moeilijk om de pracht van de onderwaterwereld te beschrijven. De foto’s spreken voor zichzelf.

dscf6245

dscf6207

dscf6270

dscf6323

dscf6337

Alvorens Trang te verlaten gaan we Singapore Chicken Rice eten in het pas geopende restaurant van mijn duikinstructeur Mervyn.

p10004131

Op donderdag 26 februari namen we de bus naar Bangkok, waar we ons visum aanvragen voor Laos. Woensdag 5 maart reizen we terug in de tijd naar Laos. Hopelijk hebben ze daar internet.
Tot schrijfs,
Kris & Cécile

SINGAPORE

Posté dans Singapour / Singapore avec des tags , le mars 3, 2009 par Kris

Op 10 februari hebben we Chennai en India achter ons gelaten. We vlogen over de Golf van Bengalen en de Andamanse Zee naar Singapore. De schok bij aankomst was opnieuw erg groot, maar het valt op hoe snel we terug gewoon worden aan het “Westerse” leven in deze welvarende Zuidoost-Azische stadstaat.

south_east_asia_map1

Bron: http://www.nationsonline.org

Singapore ligt 137 km boven de evenaar en dat worden we gewaar. De warmte perst de druppels uit ons lijf. De eerste dagen neemt de druk steeds meer toe tot een hevige plensbui van enkele uren ons verlost. De Singaporezen hebben de ideale manier gevonden om aan de warmte te ontsnappen: SHOPPING! Urenlang kan je verdwalen in aangenaam gekoelde reusachtige netwerken van shoppingcomplexen die ondergronds met elkaar verbonden zijn. Alle nieuwste trends en snufjes kun je hier vinden tegen iets zachtere prijzen dan bij ons.

Eten doe je in de “Foodcourts” en elk Shoppingcenter heeft er zo wel enkele. De “Foodcourts” zijn een verzameling van onafhankelijke eetstalletjes, de een naast de ander, waarin de chefs elk hun eigen specialiteit bereiden (Chinees, Indisch, Maleisisch, Thai, Japans, Koreaans, Westers en de mengeling van dit alles samen). Je bestelt waar je zin in hebt aan het stalletje van je keuze en je eet op gemeenschappelijke tafeltjes. Het concept is gegroeid uit de traditie van het eten in de straat, dat in Azië erg populair is. De Singaporese overheid houdt graag alles onder controle en heeft alle kraampjes gecentraliseerd in “Foodcourts”, voornamelijk omwille van hygiënische redenen.

Het komt waarschijnlijk door al het ingrijpen van de overheid maar Singapore lijkt zo steriel dat je zou kunnen overwegen om van de grond te eten. Het leven is streng gereguleerd en wat verboden is doe je maar beter niet, want de straffen zijn streng. Overal hangen verbodsbordjes om je te herinneren wat niet mag (no spitting – no jaywalking – no littering – no urinating …).

We verblijven 1 week in Singapore, wat normaal gezien voldoende moet zijn om ons visum voor China te verkrijgen en om enkele attracties te gaan bezoeken: de Singapore Flyer, de zoo, de nacht safari en het Jurong vogelpark.

Onze eerste uitstap is er een met de “Wacky Duck”, een amfibievoertuig waarmee we een toertje maken door de stad en in de haven. Vanuit de Wacky Duck zien we:

het reuzerad en een stukje skyline

flyer2

de “Merlion” (het symbool van Singapore)

p1000220

de opera van Singapore (in de vorm van een Durian – ook wel stinkvrucht genoemd, maar de smaak is hemels naar het schijnt).

opera3

Het “Jurong Bird Park” is waarschijnlijk vergelijkbaar met Paradisio in België, maar ik heb dit nooit bezocht, dus zeker ben ik het niet. We hebben er een heel aangename dag beleefd tussen al die mooie, kleurrijke vogels. De vogel die me het meest is bijgebleven is de Great Hornbill, die hier, op het Maleisisch subcontinent, ook in het wild voorkomt.

hornbilljurong6

Singapore beschikt ook over een heel aangename zoo. Voor een stuk vergelijkbaar met die van Antwerpen want de zebras zijn – ondanks hun unieke strepenpatroon – toch overal hetzelfde, maar de Singaporezen nemen hun ruimte en ze slagen erin om de omgeving van de dieren, mede dankzij het tropisch klimaat, beter na te bootsen. Men waant zich meer in een natuurpark dan in een zoo. Het uithangbord van de zoo in Singapore zijn de witte tijgers. Deze tijgers hebben speciale genen en stammen allemaal af van dezelfde voorvader Mohan. Ze komen enkel voor in gevangenschap.

tigresblancs1

tigresblancs16

Na de zoo gaan we naar de nacht safari. Dit is een zoo met de nadruk op dieren die enkel ‘s nachts actief zijn. Zo zien we de vissende kat vissen en de vliegende eekhoorn vliegen. We zien ook hyenas, wolven, vleermuizen, vossen, jakhalzen, uilen,… Heel mooi gedaan allemaal.

p1000212

De Singapore flyer is 165 meter hoog en is daarmee het hoogste reuzerad ter wereld. We genieten van het uitzicht.

marinabarrage2

cabin2

Heel speciaal is het voetbalveld dat zich in het water bevindt. Er is een match aan de gang, maar de tribune is leeg.

voetbalveld5

Onze laatste taak is het ophalen van onze pasports met daarin ons visum voor China. Dankzij dit visum kunnen we onze reis voortzetten. Ons doel is om over land naar Hong Kong te reizen.

cecileavecvisachinois

Onze volgende halte is Thailand. Tot zo meteen in de volgende rubriek.

De la mer d’Arabie à la baie du Bengale : les backwaters du Kerala, les temples du Tamil Nadu et la France à Pondichéry

Posté dans Inde / India avec des tags , le février 15, 2009 par Cécile

BACKWATERS

Les backwaters sont une des attractions-phares du Kerala : il s’agit d’un réseau de canaux et de lagunes, situés au bord de la mer d’Arabie. L’eau y est douce durant la majorité de l’année, mais à certaines périodes, la mer remonte dans les backwaters et l’eau devient salée. Plus concrètement, pour ceux qui connaissent, il faut s’imaginer une sorte de marais poitevin tropical, avec des palmiers partout… Au départ, on pensait y passer quelques jours mais la date de notre vol pour Singapour approchant, on n’y a fait qu’un seul trajet en bateau de trois heures mais il en valait vraiment la peine.

On a rejoint Kottayam, une des portes d’entrée de la région, par bus “rammekecarreke” depuis Kumily Cette fois, on a eu de la chance : des bonnes places et un conducteur très motivé qui a essayé pendant au moins la moitié du trajet – en tous cas, sur toute la partie montagneuse de la route – de dépasser son concurrent d’une compagnie privée et qui, quand il y est enfin arrivé, avait un immense sourire de satisfaction sur son visage : ça fait toujours plaisir de voir quelqu’un qui aime son boulot !

De Kottayam, on a pris le ferry public pour Aleppey, c’est-à-dire l’équivalent aquatique du rammekecarreke qui s’arrête dans tous les villages au bord des canaux. Le ferry nous a coûté 22 Roupies à nous deux (à peu près 35 eurocents, donc même pas le tarif de Madame Pipi pour une personne en Belgique). En plus de son rapport qualité-prix assez incomparable (même en Inde), le trajet est mémorable : les paysages sont magnifiques et très variés (surtout par rapport à l’excursion qu’on a faitee sur les backwaters au départ de Cochin).

Au départ, le ferry navigue sur des canaux très étroits et recouverts de végétation (parfois, on a même du mal à croire qu’on est sur l’eau).

ferry5

ferry16

Progressivement, les canaux s’élargissent.

ferry21

ferry27

ferry28

Le ferry arrive à destination à la tombée de la nuit, après la traversée d’un lac au coucher du soleil.

sunset1

Ce ferry est le moyen de transport utilisé par les habitants des villages situés dans les backwaters, dont beaucoup ne sont accessibles que par bateau.

Arrêt du “bateau-bus”:

boatstop2

Eglise au milieu des backwaters :

eglise1

On a également pu observer de nombreux oiseaux, dont on ne connaît pas les noms (en dehors des hérons peut-être… – par ailleurs, suite à une visite du Jurong Bird Park à Singapour, on pense pourvoir identifier les oiseaux noirs comme des cormorans, mais les zoziologues avertis peuvent corriger…), mais c’était intéressant quand même :

oiseau3

oiseau7

Il est possible de faire des croisières de 24 heures sur les backwaters en “houseboats”: bateaux privés avec chambre et terrasse, et équipage à disposition (capitaine, cuisinier, serveur, et rameur lorsque le bateau n’est pas à moteur), mais le côté un peu colonialiste de ces croisières nous a un peu rebuté. Après avoir croisé de très nombreux houseboats, on n’a pas regretté notre décision : les houseboats naviguent en contingents serrés, perdant donc le principal attrait de la croisière particulière puisqu’on est toujours à côté de quelques autres bateaux et donc pas vraiment seuls au monde, et gardant donc comme seul aspect “privé”, le fait d’avoir quelques esclaves à sa disposition pour conduire le bateau et servir la bouffe. Bof…

Un houseboat:

houseboats8

L’invincible Armada s’en va conquérir Kottayam:

houseboats9

Cet agréable après-midi de navigation clôture en beauté notre séjour au Kerala. Un peu plus tôt que prévu car on avait prévu de passer quelques nuits à Aleppey et de rayonner dans les backwaters à partir de là mais on a l’impression d’en avoir déjà vu beaucoup durant les trois heures de ferry et ça nous suffit, donc on décide de partir pour le Tamil Nadu pour visiter quelques temples. Après la nature, la culture… Il faut dire que le charmant cadeau de la guesthouse où on avait réservé ce soir-là et qui nous a fait l’honneur de nous attribuer une des suites princières, sans doute occupée par le personnel de la guesthouse en question en temps normal, a peut-être joué sur notre décision !

Suite princière à la Gowri Guesthouse :

chambrealeppey

TRICHY

Après un voyage fatiguant (mais on a réussi, de justesse, à éviter un trajet de huit heurs, by night, en rammekecarreke : in extremis, on a déniché un bus vaguement “deluxe” d’une compagnie privée), nous arrivons à une ville dont le nom normal est à peu près imprononçable et, en tous cas, impossible à écrire, et que tout le monde appelle “Trichy”. Il s’agit d’une grosse ville située plus ou moins au centre du Tamil Nadu, région située à l’extrême sud-est de l’Inde, très différente du Kérala car beaucoup plus hindoue et conservatrice. On y parle le tamoul et les habitants sont très attachés à leur langue et à leur culture. Pour les touristes, les temples sont très nombreux et certains sont très impressionnants. Malheureusement, le plus fameux de ces temples, le temple Sri Meenakshi de Madurai, est actuellement en rénovation et complètement recouvert d’échafaudages, donc on décide de sauter cette étape et de passer directement à Trichy, d’où d’autres temples intéressants peuvent se visiter.

A proximité de Trichy se trouve Srirangam un des plus grands temples de l’Inde, dédié à Vishnu. C’est Dan Cruickshank, qui a visité le temple en question dans le cadre de sa série “Adventures in Architecture” (http://en.wikipedia.org/wiki/Dan_Cruickshank%27s_Adventures_in_Architecture) diffusée sur Canvas, qui nous a donc donné envie d’aller là-bas.

Très représentatif des temples que l’on trouve en Inde du Sud, il comprend plusieurs tours (ou gopurams) de diverses tailles et, pour la plupart, décorées de sculptures multicolores.

srirangam2

srirangam8

C’est très ornementé et quand même (un peu) kitsch, mais on ne s’en lasse pas tellement il y a de choses à regarder.

detailsrirangam13

Kris et Hanuman (“zijn favoriete god”) :

krisenhanuman2

Le temple est constitué de plusieurs enceintes ; si la dernière enceinte est le temple proprement dit, les enceintes extérieures comprennent de nombreuses ruelles, avec boutiques d’offrandes et autres “marchands du temple” :

offrandes

De Trichy, on a également visité le temple Brihadisvara à Thanjavur, beaucoup plus ancien (construit il y a plus de mille ans) et classé au Patrimoine mondial de l’UNESCO.

Le style est plus sobre mais les sculptures sont magnifiques.

templethanjavur1

ganeshthanjavur3

vachethanjavur1

Par ailleurs, on a passé un bon moment avec un groupe de visiteurs venus en masse d’un village dans les collines. Comme ils parlaient très peu anglais, on a eu peu du mal à comprendre qu’ils voulaient qu’on organise une séance photo, mais le message a fini par passer.

Séance photo à Thanjavur:

seancephotothanjavur61

Enfin, depuis Trichy, on a essayé d’organiser une visite du Chettinad, une région connue pour ses nombreuses maisons, ou plutôt palais, construits par les Chettiars, commerçants et banquiers des Britanniques à l’époque coloniale. Je dis “essayé” car malheureusement, les palais sont souvent inoccuppés et fermés car les propriétaires habitent à Singapour ou en Malaisie et lorsqu’ils sont occupés, les habitants n’ont pas forcément envie d’être dérangés par des touristes souhaitant visiter leur humble demeure. Bref, on a fait chou blanc et on a juste vu l’extérieur des maisons (c’est surtout l’intérieur qui est impressionnant):

palaischettiar1

Le palais du Raja du Chettinad (pas de chance, son fils est là, donc impossible de visiter)

palaisraja1

On a quand même pu admirer la campagne des environs et on a regretté de ne pas avoir eu le temps de rester quelques jours pour s’y balader.

Vue sur la campagne du Chettinad depuis un fort:

fort8

PONDICHERY

Pondichéry est notre dernière étape en Inde. Il s’agit d’une ancienne colonie française, devenue indienne en 1954, à l’époque de la fin de la guerre d’Indochine. C’est une ville reposante et agréable, bien qu’il n’y ait rien de très spécial à voir.

Une des activités est de repérer les traces de la présence française : un hôtel de ville, un consulat avec un drapeau bleu blanc rouge, une Alliance française qui diffuse des films français tous les dimanches et, surtout, des képis de gendarme français sur la tête des policiers indiens.

gendarmes2

Une ville très francophile en tous cas :

Apparemment, le chauffeur de ce rickshaw aime la littérature française

frenchstylerickshaw2

Tout comme le tenancier de cette gargote

gaulois2

Une autre gargote dont le tenancier est amateur de cinéma français cette fois (on suppose qu’il a du voir “Bienvenue chez les Ch’tis” à l’Alliance française).

barakafrites2

Enfin, dernier vestige de la colonisation française, l’alcool y est meilleur marché qu’ailleurs en Inde.

Mais bon, on reste en Inde, nos amies les vaches sont toujours présentes, dans la rue et sur les toits des temples, et les éléphants aussi :

vaches1

vachesurletoit

elephant1

En fin d’après-midi, toute la ville se retrouve sur la Promenade, au bord de la mer, que domine une énorme statue du Mahatma Gandhi:

diguedemer3

mahatmagandhi

Depuis le tsunami, qui a frappé la côte, cette promenade a été surélevée et il s’agit d’une véritable “digue de mer”:

diguedemer1

Pondichéry fut une étape reposante, idéale pour clôturer notre voyage en Inde, d’où on a “directement” rejoint l’aéroport de Madras (“directement” signifie trois heures et demie à l’arrière d’un rammekecarreke, dont une heure dans les embouteillages, et un dernier trajet en rickshaw). Arrivés à l’aéroport de Singapour après un vol sans histoire, on a tout de suite été frappés par l’incroyable contraste avec l’Inde : tout est tellement propre et moderne ! En attente d’un visa pour la Chine, on s’installe ici pour quelques jours, une semaine peut-être. Singapour est réputée comme la ville des amendes en tout genre et pour des infractions parfois mystérieuses (comme l’importation de chewing-gum par exemple), mais je ne peux m’empêcher d’être un poil soulagée qu’il soit strictement interdit de cracher et d’uriner dans la rue : ça veut dire qu’on va échapper aux bruits de raclements de gorge et qu’on ne va plus devoir marcher en apnée à intervalles réguliers.

Plus sur Singapour au prochain numéro (c’est-à-dire quand nous serons à Bangkok – d’ici deux semaines, je pense).

A bientôt

Kerala

Posté dans Inde / India avec des tags , le février 3, 2009 par Kris

Bangalore was onze laatste stop voor Kerala. Deze welvarend staat in het zuidwesten van India wordt in de toeristische folders omschreven als “God’s Own Country”. Dit klinkt (te) veelbelovend… Opvallend is in elk geval dat God graag een pintje drinkt, dat hij zich laat aanbidden door alle religies en dat hij zijn land laat besturen door de communisten. God heeft ook tandimplantaten en betaalt met Visa of Mastercard.

tandarts1

KOCHI

Vanuit Bangalore nemen we de bus naar Calicut (Kozhikode), waar we overnachten en de trein nemen naar Ernakulam, een moderne stad, die we met de taxi doorkruisen richting Fort Kochi (Cochin), een eiland aan zee waar de tijd heeft stilgestaan en de meeste gebouwen dateren uit het koloniale verleden van de 15de en de 16de eeuw. Het kolonialisme is ondertussen voorbijgestreefd en heeft plaats gemaakt voor de nieuwste tendens : het toerisme.

Bij aankomst op het eiland is het alsof India plotseling stopt en rust en ruimte maakt voor haar bezoekers. We kunnen op het gemak door de straten wandelen, halt houden bij een terrasje, fish and chips eten, een biertje drinken,… alles in een gezellige atmosfeer. Zoals bijvoorbeeld in het T-Pot cafe, waar het interieur en de obers er in slagen om je het gevoel te geven deel uit te maken van de East India Company. Cecile in het T-Pot cafe :

cecileteapot1

De eerste avond in Kochi, na een droge periode van 14 dagen, vraagt de dame die ons bestelt of ik een biertje wil. Ik ben verrast, want deze lekkernij stond helemaal niet op de kaart, maar deze kans laat ik niet schieten. Even later brengt de ober ons 2 grote theetassen en we kijken elkaar verbaasd aan. Een en ander wordt duidelijker als er ook een grote theepot wordt bijgezet met daarin verborgen de gulden godendrank met schuimende kraag. En we blijken lang niet de enige te zijn. De obers lopen af en aan met tassen en theepotten – grote theepotten, want een flesje Kingfisher Beer bevat 66 cl. We vragen de rekening en we betalen 100 Roepies (iets minder dan 2 euros) voor een Special T. Het concept van de Special Tea zet zich snel vast in de hoofden van de toeristen. Zo bleek ook in Munnar waar de Engelsman naast ons een Specal Tea en hij duidelijk teleurgesteld was toen de ober de codetaal niet begreep en de arme stakker een cardamom thee aanbod. Het toppunt is dat een tafeltje verderop gewoon bier uit flesjes werd geschonken.

kriswithspecialt2

De duisternis en de theepotten beschermen de uitbaters van de politie, zo blijkt. Veel etablissementen beschikken waarschijnlijk niet over de noidge licentie om alcohol te serveren en trachten dit op een creatieve manier te omzeilen. Het kan ook te maken hebben met een set van bizarre regels waarbij sommige dagen gekwalificeerd staan als “dry days” (30 januari bijvoorbeeld, de dag dat de Mahatma Gandhi van het leven werd beroofd). De regels in verband met alcohol gebruik verschillen bovendien van staat tot staat en vereisen een diepgaand juridisch onderzoek om dit helemaal uit te klaren.

Tijdens een wandeltocht over het eiland bezoeken we Mattancherry Palace, Santa Cruz Cathedral en Jew Town. Het paleis was vooral binnenin interessant omdat het de geschiedenis weergeeft van de Maharajas van Kochi en de relaties met de Portugezen, de Hollanders en de Britten. Helaas mochten we geen foto nemen van de muurschilderingen die de Ramayana – een Indisch epos met religieuze betekenis – uitbeelden.

De Santa Cruz Kathedraal is mooi gedecoreerd en de Indiers blijken goede christenen te zijn.

santacruzcathedral3

santacruzcathedral2

Sinds het jaar 388 en waarschijnlik al vroeger hebben er zich Joden gevestigd in Kochi. Getuige daarvan Jew Town, met zijn kleurrijke huisjes en een synagoge. Vandaag is het een winkelstraat voor toeristen.

jewtownroad6

jewtownroad9

Aan de kust van de Arabische Zee worden de Chinese visnetten, daterend uit de 14de eeuw, nog steeds gebruikt om te vissen, al zijn ze momenteel van groter nut om toeristen te vangen.

chinesefishingnets7

Ze laten zich ook goed fotograferen bij zonsondergang.

chinesefishingnetssunset6

Kerala is vooral bekend voor zijn backwaters. Dit is een uitgestrekt netwerk van rivieren, kanalen, meren en lagunes die over en in elkaar lopen en die uiteindelijk in Kochi uitmonden in de Arabische Zee. We maken een boottocht om de backwaters van naderbij te bekijken.

backwaterstour-houseboat

backwaterstour11

backwaterstour201

Tijdens de boottocht brengen we een bezoek aan een specerijplantage en houden we halt bij een dorpje temidden de backwaters waar vrouwen touw vervaardigen van cocoshaar.

ropemaking4

Na de boottocht zijn we getuige van een demonstratie van Kalarippayat en wonen we een Kathakali-voorstelling bij.

Kalarippayat is de krijgskunst die zich in Kerala heeft ontwikkeld in de 12de eeuw, toen de feodale krijgsheren elkaar bekampten om de macht. We krijgen eerst wat uitleg en dan krijgen we indrukwekkende vechtscenes te zien met lenige ledematen, stokken, messen en zwaarden. Er wordt ook veel belang gehecht aan houdgrepen en drukpunten. Om beter bestand te zijn tegen de verschillende verwondingen die ze oplopen zijn de beoefenaars eveneens geschoold in de ayurveda, de 5000 jaar oude Indische geneeskunst die via meditatie, specerijen, dieten en massages erop gericht is om de geest en het lichaam te sterken, zodat ziektes kunnen zorden voorkkomen. Net als India zelf is deze krijgskunst bizar, indrukwekkend en effectief.

Geinteresseerden met ervaring in krijgskunsten kunnen een doorgedreven drie maand durende opleiding volgen in Trivandrum. De prijs is 1000 Roepies per maand (iets minder dan 20 Euro).

Na deze demonstratie gaan we naar het theater voor een kathakali-voorstelling. De bewegingen uit de Kalarippayat kunnen worden getraceerd in de choreografieen van de schitterend gekostumeerde acteurs, die een verhaal uitbeelden met precieze lichaamsbewegingen, voornamelijk met de handen en de ogen. Zij worden hierbij begeleid door drums en gezang. Het eerste anderhalf uur wordt in beslag genomen door de maquillage. Ze krijgen de verhaallijn op een papiertje, wat ons toelaat om het verhaal te volgen. Dankzij deze hulp kan ik de boodschappen die de acteurs uitbeelden goed verstaan.

Cecile groet het thuisfront vanuit Kochi.

cecilechinesefishingnets4

Een indrukwekkende busrit brengt ons naar onze volgende bestemming: Munnar.

MUNNAR

Munnar is een stad in de “Western Ghats”. Een berglandschap met voornamelijk thee- en specerijenplantages (cardamom, peper, koffie). De stad ligt op een hoogte van ongeveer 1600 meter. de koelte in de bergen vormt een aangename afwisseling met de drukkende en kleverige warmte van Kochi.

Het gastenhuis waar we verblijven wordt gerund door Joseph, een rare cocosnoot, bij wie we ons minder op het gemak voelen dan bij de wilde zwijnen uit de regio waarvoor hij ons herhaaldelijke keren waarschuwt. Gebruik makend van straffe verhalen zet hij ons ertoe aan om gebruik te maken van zijn diensten die hij tegen overdreven prijzen aanbiedt. We laten ons enkele keren vangen, maar we leren snel bij.

De wat bittere smaak die we overhouden aan onze gastheer wordt ruimschoots gecompenseerd door de schoonheid van de omgeving. We maken een wandeltocht van ongeveer 13 km langsheen de theeplantages. Vanuit de hoogte lijken de theeplantages op velouren velden die van kleur veranderen bij elke streling door de zonnestralen.

teateatea5

teateatea16

teateatea26

teateatea40

KUMILY

Vanuit Munnar nemen we de taxi naar het iets lager gelegen Kumily, waar we hopen om in het natuurreservaat van Periyar een kudde wilde olifanten of een tijger te spotten. We logeren 2 nachten in een boomhut aan de rand van het natuurreservaat.

kristreehouse2

wildpigtreehouse

De landschappen in het natuurreservaat zijn de moeite waardm maar behalve enkele vogels, een ree hier en daar en wat koeien (of zijn het dan toch buffels) valt er niet veel te spotten.

periyarwildlifesanctuary2

periyarwildlifesanctuary24

periyarwildlifesanctuary37

De volgende dag klimmen we aan boord van een toeristenbusje en verkennen we de omgeving rond Kumily. We bezoeken nog maar eens een specerijenplantage, we wandelen door een bloementuin en een koffieplantage en we leren hoe de thee die door vrouwen wordt geplukt (omdat ze sneller zijn ), in de theefabriek wordt omgezet in het gruis dat we terugvinden in de theezakjes.

teaplantation13

teafactory12

In Kumily nemen we de bus naar Kottayam. We verlate de heuvels en keren terug naar de backwaters. Hierover later meer.

Groetjes uit Kumily,

cecilekrisviewpointb

Cecile & Kris

Trois jours à Bangalore, capitale de l’Hi-Tech et du code de la route

Posté dans Inde / India avec des tags , le janvier 25, 2009 par Cécile

En route pour le Kerale, nous nous sommes arrêtés trois jours à Bangalore. Capitale du Karnataka (région du Sud-Ouest de l’Inde), c’est la ville où sont implantées de nombreuses firmes informatiques, faisant de la sous-traitance pour beaucoup d’entreprises européennes. Une ville assez moderne donc:

immeubles1

Après avoir frôlé l’asphyxie à plusieurs reprises dans les rickshaws (la ville est incroyablement polluée, c’est pire que Delhi et Bombay), nous avons compris le message et loué les services d’un taxi avec air-co pour faire le tour de la ville.

Par rapport aux monuments vus en Inde du Nord, les attractions de cette ville n’ont vraiment rien de spectaculaire mais certaines étaient intéressantes, comme le Bull temple, connu pour sa sculpture de taureau de 5m de haut et 6m de large.

nandi2

Le prêtre nous a donné la bénédiction, ce qui consiste à nous présenter une assiette (dans laquelle nous sommes censés déposer notre offrance) avec une bougie allumée dessus pour que nous approchions nos mains de la flamme puis de notre visage et à nous mettre un tika (marque rouge) sur le centre du front.

krisnanditemple

L’emblème de la ville est le palais gouvernemental, ou Vidana Sudha ; il date d’après l’indépendance de l’Inde.

vidanasudha2

Enfin on endroit où l’on apprécie les fonctionnaires à leur juste valeur.

Le travail du gouvernement est le travail de Dieu

"Le travail du gouvernement est le travail de Dieu"

En face du palais gouvernemental se trouve la Haute Cour du Karnataka (ici, il s’agit d’un bâtiment de l’époque postcoloniale)

highcourt

Nous avons également apprécié le Jardin Botanique, notamment pour ses poubelles en forme de lapin, singe ou éléphant, mais surtout pour avoir eu l’occasion de nous aérer et de voir un peu de nature:

botanicalgardens2

Une île au milieu de l’étang

botanicalgardens3

Tapis de fleurs en prévision d’un festival

botanicalgardens4

Allée de palmiers

botanicalgardens7

Nous avons également vu un palais pré-colonial, le Tipu’s palace, palais du sultan Tipu, constitué notamment de teck ; intéressant bien que ne cassant pas trois pattes à un canard et les photos ne donnent vraiment rien.

Et nous avons également vu, sans le prendre en photo car le portier voulait 200 Roupies par tête comme prix d’entrée et pour prendre des photos de l’extérieur, un palais privé, construit sur le modèle du château de Windsor mais qui rappelle surtout la prison de Saint-Gilles.

Bref, bien qu’il n’y ait, comme vous pouvez le voir sur la photo, rien de vraiment inoubliable, nous avons apprécié notre visite de Bangalore. C’est également la ville où on a vu la plus grande concentration de fast-foods occidentaux en Inde; nous avons donc sacrifié à la coutume et visité le MacDo local. Une visite au MacDo est a priori un événement plutôt banal et pas très intéressant, même si c’est finalement surprenant en soi de trouver un endroit dont la spécialité est le hamburger dans un pays où la vache est sacrée pour un grand nombre de personnes. Au MacDo de Bangalore, tous les burgers sont donc végétariens ou à base de poulet et le Big Mac local est le Chicken Maharadjah Mac (c’est plutôt meilleur en fait). En plus de cette particularité locale, des sacs à secouer les frites qu’on reçoit avec son menu et de l’ambiance musicale qui, si elle reflète les goûts de la jeunesse locale, indique que les jeunes Indiens aiment bien Rammstein, le Mac Do de Bangalore bénéficie d’une vue superbe sur une autre attraction de la ville : les panneaux sensibilisant au respect du code de la route.

codedelaroute3

Traduction: à droite, “une conduite sensée est une conduite sûre” et à gauche (on ne sait jamais, au cas où quelqu’un ne suivrait pas le bon conseil), “marchez sur le trottoir”.

codedelaroute10

“Vous n’avez qu’une seule tête alors protégez-là”.

Il faut toutefois descendre dans la rue pour voir le plus gore de tous les panneaux:

codedelaroute2

“Si vous passez au rouge, vous serez entourés de rouge”.

Bref, même au MacDo, on s’amuse !

A bientôt,

Cécile et Kris

PS : toujours pas réussi à ce que les photos puissent être agrandies en cliquant dessus, on pense savoir comment faire mais ça prendra plus de temps à charger aussi…

Près de 2500 kilomètres parcourus : les transports en Inde

Posté dans Inde / India avec des tags , le janvier 25, 2009 par Cécile

Nous sommes actuellement à Cochin, ancien comptoir commercial sur la route maritime allant d’Europe à la Chine. L’Inde est un grand pays et nous ne restons que quelques semaines, c’est pourquoi nous avions décidé, avant de partir, de nous concentrer sur une région, l’extrême sud. Mais comme nous avons pris cette décision après avoir acheté nos billets d’avions pour Delhi, située au Nord-Ouest de l’Inde, donc quasiment à l’opposé de la région où nous voulions aller, nous avons déjà passé un temps appréciable dans les trains et bus (bien sûr, on aurait pu prendre l’avion mais ça aurait été moins drôle aussi). Petite rétrospective sur ces 2500 kilomètres et à peu près 50 heures de transport :

LE TRAIN

C’est le moyen de transport qu’on essaie d’utiliser en priorité, quand il y de la place : c’est le gros problème avec les trains indiens qui sont parfois complets plusieurs semaines à l’avance. Lors de nos vacances en novembre 2007, nous n’avions réussi à avoir des places pour aucun de nos trajets (il faut dire aussi que nous étions tombés en plein Diwali, la période de fêtes la plus importante en Inde et que certains trajets étaient impossibles à faire en train). Cette fois, nous avions été prévoyants et le trajet le plus long (Delhi – Bangalore, 34 heures) avait été réservé un mois avant de partir, ainsi que le trajet Delhi – Agra. En effet, il est possible de réserver les trains indiens par internet, du moins pendant les heures de bureau indiennes, le site d’Indian Railway devant être un des seuls sites internet au monde à fermer pendant la nuit (probablement que quelqu’un doit pédaler pour faire fonctionner le serveur).

Si on arrive à avoir de la place donc, les trains indiens sont très agréables, surtout quand, comme nous, on voyage comme des maharadjahs et qu’on peut se payer les classes les plus chères. Les 34 heures de train entre Delhi et Bangalore sont passées très vite, dans une couchette confortable et en étant (bien) nourris à intervalles réguliers et rapprochés.

Kris dans le Rajdhani express, train rapide entre Delhi et Bangalore

rajdhani

Classe “air co chair car” dans l’Aleppey Express (Calicut – Ernakulam)

aleppey-express

Les trains indiens peuvent, d’après notre expérience, largement rivaliser avec la SNCB au niveau de la ponctualité : nous sommes partis et arrivés à l’heure à chaque fois (même quand on a du prendre l’omnibus s’arrêtant à chaque gare pour retourner à Delhi depuis Agra).

Enfin, et contrairement à ce que ça peut être pour les bus, il n’est jamais bien difficile de trouver son train. Si les panneaux ne sont pas toujours très clairs et si les annonces sont rarement en anglais compréhensible, on peut toujours s’adresser au bureau ad hoc, après avoir fait la file “à l’indienne” (à ne pas confondre avec la file indienne car ce n’est pas tout à fait ça), c’est-à-dire en bousculant tout le monde pour arriver en premier devant le guichet (mais là, nous sommes avantagés par rapport aux autres, car nous avons nos gros sacs avec nous et ça aide à se frayer un chemin). Ca n’empêche pas, parfois, une petite inquiétude lorsqu’un gentil monsieur nous indique le numéro de quai mais que le train qu’on prend est le seul à n’être annoncé sur aucun panneau d’affichage, mais tout se passe bien.

Bref, c’est super, c’est génial mais comme on peut difficilement réserver tous nos trajets de train depuis la Belgique vu qu’on décide beaucoup à la dernière minute, parfois il n’y a pas moyen de faire autrement, c’est obligé, il faut prendre…

<!– @page { size: 21cm 29.7cm; margin: 2cm } P { margin-bottom: 0.21cm } –>

LES BUS

Contrairement aux trains, ils partent avec au moins une demi heure de retard (parfois beaucoup plus mais ça ne se remarque pas toujours étant donné qu’il est parfois impossible de connaître l’heure de départ à l’avance) mais arrivent parfois à l’heure : c’est sans doute dans ce but qu’ils essaient d’imiter le style de conduite de Jean Alesi et qu’ils font la course avec tout véhicule se trouvant devant eux. Heureusement, l’Inde étant un pays très densément peuplé et les routes étant souvent encombrées de piétons, deux et trois roues, sans oublier les vaches sacrées et les barrages de police, la vitesse de pointe excède rarements les 20-30 kilomètres à l’heure (sauf quand on traverse le parc national de Bandipur et qu’il n’y a qu’un autre bus, d’une compagnie concurrente, sur la route : alors, ça peut sprinter). Les bus de jour vont moins vite que les bus de nuit, c’est pour ça qu’on a choisi de passer une journée à faire Bangalore – Calicut (ville sur la côte dans le sud-ouest de l’Inde) plutôt que d’essayer de gagner du temps en prenant un bus de nuit ; après avoir fait le trajet, on ne regrette pas, d’une part, parce que les paysages étaient superbes, d’autre part, parce qu’une partie du trajet a consisté à rejoindre le niveau de la mer depuis les hauts-plateaux, en enchaînant les épingles à cheveux et les à pics vertigineux et que ça ne doit pas être très sûr de faire ça de nuit (évidemment, comme il aurait fait sombre, on ne se serait pas rendu compte que c’était dangereux).

Niveau confort, il y aura moyen de faire un thèse sur les différentes classes de confort et sur ce qu’elles peuvent signifier, car, dans le monde des bus indiens, tout est relatif : si la classe “Sleeper” en train correspondra toujours, quels que soient le type de train et la région, à des wagons avec des planches à repasser servant de couchettes, un bus “deluxe” peut désigner à peu près tout et n’importe quoi. Certes, il y a quelques règles générales : le “Sleeper” en bus veut dire qu’on va voyager dans l’équivalent d’un compartiment à bagages vaguement amélioré, le “Video” qu’on va pouvoir se divertir avec les derniers clips à la mode et la version indienne de “Starsky et Hutch”, le “Volvo” qu’on va plus vite que les autres bus. Mais lorsque nous avons réservé notre billet à la gare routière de Bangalore, pour un bus “Rajahamsa executive”, on n’avait pas la moindre idée de ce à quoi ça pouvait correspondre, le guichetier ayant dodeliné sa tête à la fois quand on a demandé “deluxe” et “semi deluxe” (et par ailleurs, on n’est toujours pas certains de connaître la signification de ce fameux dodelinement de la tête indien : on pense que c’est “oui” plutôt que “non” mais ça peut aussi être “mouais”, “sais pas”, ou “ptêt ben que oui, ptêt ben que non”). Bref, on ne savait pas trop à quoi s’attendre mais on était déjà contents d’avoir pu acheter nos billets à l’avance (on était donc sûrs de l’existence du bus, c’est déjà un point positif) et en plus, on avait pu choisir nos places, ce qui laissait espérer qu’on aurait une place assise réservée et qu’on ne risquait pas de faire huit heures de bus debouts.

Deux jours plus tard, après avoir du prendre deux rickshaws successifs pour trouver le point d’embarquement du bus (car le bus ne part pas de la gare routière mais embarque des passagers à différents endroits de la ville), après avoir demandé à plusieurs personnes (en essayant de privilégier celles qui portent un uniforme et ont vaguement l’air officiel) le point précis d’où partait le bus, après avoir également trouvé une autre personne qui prenait le même bus que nous (une tactique en général payante : si en 2007 on n’avait pas rencontré un petit monsieur gentil qui allait également de Badami à Kolhapur, on serait peut-être encore aujourd’hui à la gare routière de Badami en train d’essayer d’identifier le bon bus), après avoir à deux reprises regardé cette même personne sprinter derrière un bus qui partait de la gare routière sans nous, après que Kris se soit persuadé, à chaque passage devant nous d’un “rammekecarreke” plus délabré que le précédent, que c’est sûr, celui là c’était le nôtre, nous avons pu embarquer, avec seulement une petite demie heure de retard dans le fameux bus “rajahamsa executive” qui s’est avéré confortable, avec sièges inclinables et places réservées, et rapide (because peu de stops sur la route et chauffeur aspirant pilote de F1). Bref, le problème avec les bus, ça peut être l’incertitude, mais c’est au moins l’occasion de se faire des tas de copains dans la gare routière en essayant de localiser le bus !

Bus Rajahamsa

rajahamsa

Extérieur du rammekecarreke :

rammekecarreke2

Intérieur du rammekecarreke (les Walker Texas Rangers sont a bord !) :

rammekecarreke3

Train ou bus, il faut rejoindre la gare ou le point d’embarquement et c’est une des nombreuses occasions d’essayer…

Rickshaw tout neuf

newrickshaw

Il suffit de se balader dans la rue pour en trouver plusieurs spécimens, en général, se succédant l’un après l’autre : “you want rickhaw sir ? Cheap price for you my friend ?”, surtout quand on n’en a pas besoin. Certains sont plus ambitieux ou ont plus d’humour et proposent “Ferrari sir” ou “Indian helicopter”.

Rickshaws attendant le client (notez l’un des chauffeurs qui vient déjà vers nous)

rickshaws

Toutefois, trouver un rickshaw tôt le matin n’est pas si facile et présente le risque, comme on a moins le choix, de tomber sur quelqu’un qui prétend connaître le chemin mais ne le connaît pas ou qui accepte la course pour “fifteen” roupies mais en demande “fifty” une fois la destination atteinte.

Agrément de la course en rickshaw : comme il n’y a pas de fenêtre, on profite d’une bonne aération et on est aux premières loges pour apprécier la pollution d’une ville comme Bangalore.

Notre chauffeur de rickshaw préféré jusqu’à présent est “Pablo” (ce n’est probalement pas le nom exact mais on a parfois du mal à comprendre les mots indiens) de Agra : honnête, serviable et capable de transformer le moindre trajet en un tour de Space Mountain ou en une partie de Super Mario Kart. Premier chauffeur à ne pas respecter la priorité en principe absolue donnée aux vaches sacrées sur la route et à ne pas hésiter à leur faire des queues de poisson.

Dans le rickshaw de Pablo sur un pont pour rejoindre Agra

rickshawagra1

Un des nombreux obstacles qu’il a adroitement évité

rickshawagra4

En conclusion, dans les transports, comme partout en Inde, on s’ennuie rarement et on s’amuse souvent beaucoup, même si parfois c’est rétrospectivement qu’on s’amuse.

Suivre

Get every new post delivered to your Inbox.